Uitspraak
200805918/1/H1), zijn voor het antwoord op de vraag of het bouwplan al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan de op de plankaart aangegeven bestemming en de daarbij behorende voorschriften beslissend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de bewoordingen van artikel 10, derde lid, aanhef en onder A, van de planvoorschriften volgt dat bij elke recreatiewoning op het bungalowpark een ander bouwwerk mag worden opgericht. Nu de planvoorschriften op zichzelf duidelijkheid bieden omtrent de vraag of de in het bouwplan voorziene carport op het perceel mag worden geplaatst, kan aan het betoog van [appellant] dat de planwetgever deze mogelijkheid niet voor ogen heeft gehad, wat daar ook van zij, niet de door hem beoogde betekenis worden toegekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 februari 2009 in zaak nr.
200804419/1), kan de bedoeling van de planwetgever niet afdoen aan hetgeen in planvoorschriften ondubbelzinnig is bepaald. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank het bouwplan terecht niet in strijd met het bestemmingsplan geacht. Nu het voorts voorziet in de oprichting van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied dat niet hoger is dan 5 meter, is ingevolge voormeld artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, gelezen in verbinding met artikel 3, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor, voor het oprichten ervan geen omgevingsvergunning vereist.