Uitspraak
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
200807994/1/V6, de omstandigheid dat [appellante] niet de vereiste tewerkstellingsvergunningen voor de vreemdelingen heeft aangevraagd, tot het oordeel leidt dat zij in strijd met de doelstellingen van de Wav heeft gehandeld, omdat de daartoe bevoegde instantie - het UWV WERKbedrijf - hierdoor niet heeft kunnen beoordelen of door het tewerkstellen van de vreemdelingen van verdringing van legaal arbeidsaanbod sprake is.
200604911/1), is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Hoge Raad (hierna: de HR) heeft overwogen en waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (arrest van de HR van 22 april 2005, nr. 37984; AB 2006, 11).
200903377/1/V6) is een controle door de Arbeidsinspectie of verzending van een boeterapport door een inspecteur van de Arbeidsinspectie te onbepaald van aard om als een handeling te kunnen worden aangemerkt, waaraan een beboete in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Ook het horen van een belanghebbende brengt op zichzelf niet met zich dat de minister voornemens is een boete op te leggen en de redelijke termijn op dat moment een aanvang neemt (uitspraak van 11 april 2012 in zaak nr.
201012767/1/V6). De uitlatingen van de inspecteurs tijdens de controles, alsmede de tekst van de uitnodigingsbrief, waarnaar [appellante] heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft derhalve terecht de kennisgeving van de boeteoplegging aangehouden als aanvang van de redelijke termijn.