Uitspraak
201100163/1/H3en
201100969/1/H3), behelst het in paragraaf 3 van de Regeling aan de raad voor rechtsbijstand gegeven mandaat voor wat betreft de Wbtv slechts de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en niet tevens een mandaat voor de vaststelling van beleidsregels. Daarvoor is ingevolge afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in verbinding met artikel 4:81 van Pro die wet een afzonderlijk mandaat vereist. Nu de minister eerst bij regelingen van 13 januari 2011 (Stcrt. 2011, 1029 en 1030) dit mandaat heeft verleend en het Besluit inschrijving heeft bekrachtigd, bevatte het Besluit inschrijving ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geen bevoegdelijk vastgestelde beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraken en in de uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr.
201104182/1/A3heeft overwogen, betekent dit evenwel niet dat de minister bij de beoordeling van de aanvraag het Besluit inschrijving niet mocht betrekken. De minister heeft het Besluit inschrijving sinds de vaststelling op 26 maart 2009 bij de beoordeling van alle aanvragen toegepast, zodat het dient te worden geduid als vaste gedragslijn die als zodanig bij de beoordeling mocht worden betrokken. Daarom heeft de rechtbank het besluit op bezwaar ten onrechte reeds op deze grond vernietigd en ten onrechte nagelaten de beroepsgronden van [wederpartij] te behandelen.
201001713/1/H2), behoeft dit verslag geen letterlijke weergave van het horen te bevatten. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verslag geen zakelijke weergave inhoudt van hetgeen partijen tijdens de hoorzitting naar voren hebben gebracht. Derhalve leidt dit betoog niet tot het daarmee door hem beoogde doel.
201011478/1/H3), uit artikel 3 van Pro de Wbtv, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Bbtv, en bezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 8, blz. 8-9), voortvloeit dat een tolk slechts voor inschrijving in het register in aanmerking komt indien hij de taal waarvoor hij wenst te worden ingeschreven op hbo-niveau beheerst, waarbij het op de weg van de tolk ligt om dit aan te tonen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het ontbreken van toetskaders en toetsen als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit inschrijving had moeten leiden tot inschrijving van [wederpartij] in het register voor de thans aan de orde zijnde talencombinaties.