ECLI:NL:RVS:2012:BY1607
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Irak
De vreemdeling was onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Irak niet ontbrak. De vreemdeling beschikte niet over een geldig reisdocument en voldeed niet aan de voorwaarden voor uitzetting naar de KRG-regio. Er waren geen concrete aanknopingspunten voor gedwongen verwijdering binnen een redelijke termijn.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en aan de vreemdeling werd een vergoeding toegekend voor de periode van vrijheidsontneming. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting naar Irak.