ECLI:NL:RVS:2012:BW4081
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting Iraakse vreemdeling binnen redelijke termijn
De zaak betreft een Iraakse vreemdeling die in vreemdelingenbewaring is gesteld en beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde. De kern van het geschil is of het zicht op uitzetting naar Irak binnen een redelijke termijn ontbreekt, gelet op het feit dat de Iraakse autoriteiten sinds november 2011 geen laissez passer meer verstrekken voor gedwongen terugkeer via EU-staten.
De minister heeft toegelicht dat ondanks diplomatieke inspanningen de Iraakse autoriteiten niet bereid zijn gedwongen terugkeer te faciliteren zonder geldig paspoort of laissez passer, en dat deze laissez passer alleen via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) wordt verstrekt aan vreemdelingen die vrijwillig willen terugkeren. De vreemdeling weigert een dergelijke vrijwillige verklaring af te leggen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken vanaf 15 maart 2012, omdat geen concrete aanwijzingen bestaan dat gedwongen verwijdering op korte termijn mogelijk is. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met een verbetering van de motivering. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het zicht op uitzetting van de Iraakse vreemdeling binnen een redelijke termijn ontbreekt, en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.