Uitspraak
201010993/1/H3gematigd tot € 823,00 door de hoogte van de te weinig betaalde bedragen met een factor 5 te vermenigvuldigen.
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [wederpartij] een boete van €6.700,00 op wegens het niet naleven van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). De rechtbank matigde deze boete tot €823,00, waarbij zij rekening hield met de geringe omvang van de onderbetaling en het ontbreken van opzet.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het ontbreken van opzet als factor bij de boetebeoordeling had betrokken, aangezien opzet geen bestanddeel is van de overtreding. De Raad benadrukte dat de boete moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid, waarbij ook het beleid van de minister in acht moet worden genomen.
De Raad vond dat de door de rechtbank toegepaste factor 5 niet tot een evenredige sanctie leidde. De minister had nieuw beleid vastgesteld waarin onderscheid wordt gemaakt naar de mate van onderbetaling. Op basis daarvan stelde de Raad de boete wegens onderbetaling van vakantiebijslag vast op €233,00 en die wegens onderbetaling van loon op €2.000,00, wat een totale boete van €2.233,00 oplevert.
Het besluit van 6 december 2010 werd herroepen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de boete op €823,00 was vastgesteld. Voor het overige werd de uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €2.233,00 en het eerdere besluit en uitspraak worden vernietigd dan wel herroepen.