ECLI:NL:RVS:2012:BY4396
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.W.L. Simons-Vinckx
- W. Sorgdrager
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Weigering vergunning veehouderij nabij CVI vanwege risico verspreiding dierziekten
Het college van burgemeester en wethouders van Lelystad weigerde een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een pluimvee- en varkenshouderij op minder dan 300 meter van het Central Veterinary Institute (CVI). Deze weigering was gebaseerd op het gevaar van verspreiding van dierziekten, met name het risico dat het mond- en klauwzeervirus bij een incident binnen het CVI vrijkomt en veehouderijen binnen een straal van 3 km besmet.
Appellant betoogde dat het besmettingsgevaar primair van het CVI uitgaat en dat het college de vergunning niet op deze grond had mogen weigeren, maar dit in het bestemmingsplan had moeten regelen. Daarnaast stelde appellant dat het college niet had onderzocht of beperkingen of voorschriften de risico’s konden beperken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Wet milieubeheer het college wel de beoordelingsvrijheid geeft om bij de vergunningverlening het gevaar van verspreiding van dierziekten door de veehouderij en de invloed van de locatie nabij het CVI te betrekken. Het risico op besmetting en verdere verspreiding via de veehouderij is reëel, mede door de aard van het CVI als uniek laboratorium met levende virussen en het niet uit te sluiten risico op calamiteiten.
De Afdeling concludeerde dat het college in redelijkheid de vergunning mocht weigeren omdat de risico’s niet voldoende kunnen worden voorkomen of beperkt door voorschriften. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning voor de veehouderij nabij het CVI is ongegrond verklaard.