ECLI:NL:RVS:2012:BY4694
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling onrechtmatig in bewaring gesteld zonder schriftelijke maatregel
Vreemdelingen 1 tot en met 4 zijn op 10 juli 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Vreemdeling 5, hun familielid, werd feitelijk eveneens vrijheidsbenomen, maar zonder dat aan haar een schriftelijke maatregel van bewaring werd uitgereikt. De rechtbank verklaarde het beroep van vreemdeling 5 niet-ontvankelijk, omdat geen maatregel was genomen.
De Raad van State oordeelt dat de feitelijke vrijheidsontneming van vreemdeling 5 gelijkgesteld moet worden met een besluit als bedoeld in artikel 93 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, zodat zij wel degelijk beroep kan instellen. Dit volgt ook uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat vereist dat ook kinderen die vrijheidsontneming ondergaan een effectief rechtsmiddel moeten hebben.
Omdat vreemdeling 5 zonder schriftelijke maatregel in detentie zat, is de maatregel in strijd met artikel 5 EVRM Pro. Het hoger beroep van vreemdeling 5 wordt gegrond verklaard, het niet-ontvankelijkheidsbesluit van de rechtbank vernietigd en haar beroep alsnog gegrond verklaard. De vrijheidsontneming was reeds opgeheven, maar vreemdeling 5 krijgt een vergoeding toegekend over de periode van detentie. Het verzoek om schadevergoeding van vreemdelingen 1 tot en met 4 wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van vreemdeling 5 wordt gegrond verklaard en haar beroep alsnog gegrond verklaard wegens onrechtmatige vrijheidsontneming zonder schriftelijke maatregel.