Uitspraak
201112936/1/T1/R1heeft de rechtbank echter ten onrechte overwogen dat het college geen rekening mocht houden met de ruimtelijke gevolgen van het vestigen van een coffeeshop en dat het onderzoek van het college ten onrechte daarop was gericht. Gelet op het uitdrukkelijke voornemen van het college om niet handhavend op te treden tegen de vestiging van een coffeeshop bestaat, gelet op de voormelde uitspraak, aanleiding voor het oordeel dat het college, zoals het heeft gedaan, bij het besluit omtrent verlening van ontheffing rekening heeft kunnen houden met de ruimtelijke gevolgen van een coffeeshop. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ertoe strekkende dat bij het besluit omtrent ontheffing tevens rekening dient te worden gehouden met de ruimtelijke gevolgen van een vergelijkbare legale horecafunctie en dat derhalve ook aan dit beleid ter zake dient te worden getoetst, de besluiten van het college terecht heeft vernietigd.
201105950/1/A1, is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening. De rechtbank heeft in hetgeen is aangevoerd terecht geen aanleiding voor het oordeel gevonden dat tijdelijke behoefte bestaat aan de voorziening waarvoor ontheffing wordt verleend en dat het college derhalve op grond van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro, vergunning diende te verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat na de periode van één jaar nogmaals een aanvraag kan worden ingediend voor de exploitatievergunning. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het college geen ontheffing heeft verleend voor de coffeeshop maar voor een legale horecagelegenheid.
201109799/1/A1is de ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen discretionair van aard. De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen waarom zij geen aanleiding heeft gezien de bestuurlijke lus toe te passen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen.