ECLI:NL:RVS:2012:BY5540
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Irak en Turkije
De vreemdeling werd op 3 oktober 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er zicht was op uitzetting naar Irak en Turkije. Uit jurisprudentie volgt dat Iraakse vreemdelingen niet gedwongen kunnen worden teruggestuurd naar Irak zonder geldig reisdocument, en de staatssecretaris had niet aannemelijk gemaakt dat de Iraakse autoriteiten bereid waren een nieuw paspoort te verstrekken. Daarnaast ontbrak na 5 oktober 2012 zicht op uitzetting naar Turkije, omdat de Turkse autoriteiten de nationaliteit van de vreemdeling niet bevestigden en de staatssecretaris geen verdere stappen had ondernomen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend voor de onrechtmatige bewaring en werden proceskosten aan de vreemdeling toegewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting naar Irak en Turkije.