ECLI:NL:RVS:2013:BZ2338
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De vreemdeling stelde in beroep dat het zicht op uitzetting naar Irak binnen een redelijke termijn ontbreekt, omdat zij niet over een geldig reisdocument beschikt en niet strafrechtelijk is veroordeeld. De rechtbank heeft dit betoog niet betrokken in haar uitspraak, wat in strijd is met artikel 8:69 van Pro de Awb.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond. Op grond van eerdere jurisprudentie is vastgesteld dat voor vreemdelingen zonder geldig reisdocument het zicht op uitzetting naar Irak binnen een redelijke termijn ontbreekt, tenzij specifieke uitzonderingen van toepassing zijn.
In dit geval is niet gebleken dat de vreemdeling over een geldig reisdocument beschikt of dat de uitzonderingen op uitzetting naar de KRG-regio van toepassing zijn. De staatssecretaris heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Iraakse autoriteiten bereid zijn paspoorten te verstrekken ten behoeve van gedwongen terugkeer. Daarom is de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig en dient deze met onmiddellijke ingang te worden opgeheven.
Daarnaast kent de Afdeling aan de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van de vrijheidsontneming en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en de vreemdeling ontvangt een schadevergoeding.