Uitspraak
201107961/1/A1), moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wro. Met artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wro is beoogd dat een bestemmingsplan dat op grond van de WRO tot stand is gekomen het rechtsgevolg behoudt dat het onder de WRO had.
201005678/1/H1) ligt het op de weg van het college om de voor het vermoeden, dat sprake is van overtreding van de planvoorschriften, feiten vast te stellen die dit vermoeden rechtvaardigen. Het is vervolgens aan [appellant A] en [appellant B] om dit vermoeden, indien gerechtvaardigd, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van het vermoeden uit te gaan.
201005678/1/H1), is het feit dat betrokkenen blijkens de gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven op een ander adres dan dat van de recreatiewoning, en op het adres waar zij staan ingeschreven, niet over zelfstandige woonruimte beschikken, een aanwijzing dat zij hun recreatiewoning als hoofdverblijf gebruiken.