ECLI:NL:RVS:2012:BY8312
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsvermoeden bij inbewaringstelling Dublinclaimant in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling, Dublinclaimant, onrechtmatig achtte wegens het ontbreken van een persoonsgebonden motivering. De rechtbank had de maatregel van bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 een rechtsvermoeden schept dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid de inbewaringstelling vordert indien de vreemdeling Dublinclaimant is. Dit rechtsvermoeden vormt een zelfstandige grondslag voor inbewaringstelling en behoeft geen persoonsgebonden motivering, anders dan bij een maatregel louter op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting en dat de staandehouding en aanhouding rechtmatig waren volgens het strafrechtelijk proces-verbaal. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.