ECLI:NL:RVS:2012:BW4359
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling wegens ontbreken vaste woonplaats en middelen
De vreemdeling werd op 3 februari 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens vermoedelijk onttrekken aan toezicht en belemmering van terugkeer. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad oordeelde dat de gronden dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen beschikt, weliswaar niet werden weersproken, maar onvoldoende zijn om de maatregel te dragen. De minister had aangevoerd dat de vreemdeling Dublinclaimant is, maar had geen gebruik gemaakt van de specifieke grondslag voor inbewaringstelling op basis van de Dublinverordening.
De Raad stelde vast dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Ook de overige gronden, zoals het niet meewerken aan vaststelling identiteit en het achterlaten van documenten, waren onvoldoende om de maatregel te rechtvaardigen. De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, en kende een vergoeding toe voor de periode van bewaring en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.