ECLI:NL:RVS:2013:1278
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschotten huurtoeslag wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellante, met de Burundese nationaliteit en twee minderjarige kinderen, verzocht om voorschotten huurtoeslag voor 2012. De Belastingdienst weigerde deze op grond van het ontbreken van rechtmatig verblijf, zoals bepaald in artikel 10 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en appellante ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In hoger beroep werd erkend dat appellante met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2012 rechtmatig verblijf had, maar dit veranderde niets aan de weigering over de periode daarvoor. Appellante stelde dat de weigering inbreuk maakte op haar recht op privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) en dat de Staat een bijzondere zorgplicht heeft jegens kwetsbare personen zoals haar kinderen.
De Afdeling overwoog dat het koppelingsbeginsel, dat het recht op voorzieningen koppelt aan rechtmatig verblijf, een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt. De belangenafweging door de Belastingdienst werd als zorgvuldig en proportioneel beoordeeld. De persoonlijke omstandigheden van appellante, waaronder haar gezondheid en de situatie van haar kinderen, waren onvoldoende onderbouwd om het koppelingsbeginsel buiten toepassing te laten.
De Afdeling concludeerde dat de weigering niet in strijd is met artikel 8 en Pro 14 EVRM en bevestigde het bestreden vonnis. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van voorschotten huurtoeslag wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.