ECLI:NL:RVS:2013:131
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- B.P. Vermeulen
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat weigering verblijfsvergunning gezinsleven met minderjarig kind met EU-burgerschap gerechtvaardigd is
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 10 december 2010 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling, Canadese staatsburger, heeft een minderjarig kind met dubbele Nederlandse en Canadese nationaliteit. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de minister.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de afwijzing niet tot gevolg had dat het kind feitelijk het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. De Afdeling benadrukte dat het kind, als EU-burger, in beginsel aanspraak kan maken op sociale voorzieningen in Nederland en dat de vader, Nederlandse staatsburger, feitelijk zorg draagt voor het kind.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken in zijn belangenafweging, waaronder het ontbreken van gezinsleven tussen de vreemdeling en de vader, de omgangsregeling, en het belang van het kind. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.