ECLI:NL:RBROT:2013:8630
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering aan moeder zonder verblijfsstatus ondanks unieburgerschap kind
Eiseres, een Canadese moeder van een kind met de Nederlandse en Canadese nationaliteit, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet beschikte over een verblijfsvergunning die recht op bijstand geeft. Eiseres voerde aan dat zij op grond van het unierecht en eerdere uitspraken recht had op een verblijfsvergunning en daarmee op bijstand.
De rechtbank overwoog dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van de minister tegen een eerdere gunstige uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage had gegrond verklaard, waardoor vaststaat dat eiseres geen verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 VWEU Pro. Hierdoor kon zij niet als Nederlander of gelijkgestelde worden aangemerkt voor bijstand.
De rechtbank wees ook het beroep af dat op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bijzondere bescherming zou gelden, omdat deze verdragen geen zelfstandig recht op bijstand verschaffen. Ook de mogelijkheid van bijstand op grond van zeer dringende redenen werd verworpen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de bijstandsuitkering had geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.