ECLI:NL:RVS:2013:1567

Raad van State

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
201302764/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet GBAArt. 47 Wet GBAArt. 82 Wet GBAArt. 83 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek wijziging adresgegevens in gemeentelijke basisadministratie

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft het verzoek van appellanten om hun adresgegevens in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) te wijzigen en met terugwerkende kracht vanaf 2006 te registreren, afgewezen. Appellanten hadden aangegeven dat zij feitelijk vanaf 2006 op het betreffende adres woonden, maar hadden geen verhuisaangifte gedaan in dat jaar.

De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen deze afwijzing ongegrond verklaard, omdat de Wet GBA bepaalt dat de datum van adreswijziging wordt vastgesteld op de datum van aangifte of schriftelijke mededeling van het college, en niet op de feitelijke bewoning. De Raad van State heeft dit oordeel bevestigd in hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat noch artikel 82 van Pro de Wet GBA, noch andere wettelijke bepalingen het college bevoegd maken om een adreswijziging met terugwerkende kracht te registreren zonder aangifte. De vraag of appellanten daadwerkelijk vanaf 2006 op het adres woonden, hoefde niet te worden beantwoord omdat de wettelijke procedure niet was gevolgd.

De uitspraak bevestigt daarmee de wettelijke regels omtrent de registratie van adresgegevens in de GBA en de bevoegdheid van het college om verzoeken tot wijziging te toetsen aan de formele aangiftevereisten.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van adresgegevens met terugwerkende kracht wordt afgewezen en het besluit van het college wordt bevestigd.

Uitspraak

201302764/1/A3.
Datum uitspraak: 16 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2013 in zaak nr. 12/9957 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2012 heeft het college een verzoek van [appellanten] om wijziging van hun adresgegevens in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) afgewezen.
Bij besluit van 19 oktober 2012 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2013, waar [appellant A], bijgestaan door mr. M. de Boorder, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hertogs en R.H. de Roy van Zuydewijn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 24 van Pro de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) geschiedt de inschrijving in een basisadministratie op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.
Ingevolge artikel 47, eerste lid, worden aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat hij het vermelde adres niet heeft.
Ingevolge het derde lid wordt als datum van adreswijziging de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.
Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
Ingevolge het tweede lid geeft het college aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van dit hoofdstuk.
Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, wordt een beslissing van het college om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 82 gelijkgesteld Pro met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
2. [ appellant A] heeft op 23 maart 2010 verhuisaangifte gedaan naar het briefadres [locatie] te Den Haag. Met ingang van 6 juni 2011 heeft het college dit briefadres naar aanleiding van een verzoek van [appellant A] daartoe omgezet naar een woonadres.
[appellant B] heeft laatstelijk op 17 oktober 2011 aangifte gedaan van verhuizing naar het adres [locatie].
[appellanten] hebben aan het college verzocht om de hen betreffende adresgegevens in de GBA aldus te wijzigen dat zij per 2006 worden ingeschreven op het adres [locatie].
3. Het college heeft aan de handhaving van de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat, gelet op artikel 47, derde lid, van de Wet GBA, een verhuizing niet met terugwerkende kracht kan worden geregistreerd en [appellanten] niet hebben aangetoond dat de thans in de GBA geregistreerde gegevens feitelijk onjuist zijn.
4. [ appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat zij, met een verklaring van een agent en andere bescheiden, hebben aangetoond dat zij feitelijk vanaf 2006 op het adres aan de [locatie] hebben gewoond.
4.1. Gelet op het bepaalde in artikel 82, tweede lid, van de Wet GBA, kan het college slechts met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2 van de Wet GBA uitvoering geven aan een verzoek tot verbetering, aanvulling of verwijdering van gegevens in de GBA. Ingevolge artikel 47, derde lid, van de Wet GBA, welk artikel deel uitmaakt van de eerste afdeling van hoofdstuk 2 van de Wet GBA, dient als datum van adreswijziging te worden opgenomen de dag waarop de aangifte van adreswijziging is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres van betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat noch artikel 82 van Pro de Wet GBA, noch enige andere wettelijke bepaling het college de bevoegdheid geeft om de datum van een adreswijziging te baseren op de dag waarop de betrokkene feitelijk op een nieuw adres is gaan wonen.
Nu door [appellanten] niet wordt betwist dat zij in 2006 geen aangifte van adreswijziging hebben gedaan bij het college, is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien de registratie in de GBA te wijzigen als door [appellanten] is verzocht. Aan de vraag of [appellanten] hebben bewezen dat zij feitelijk vanaf 2006 op het adres aan de [locatie] hebben gewoond, is de rechtbank terecht niet toegekomen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Vreken-Westra
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013
434-789.