ECLI:NL:RVS:2016:2863
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering wijziging datum aanvang verblijf in basisregistratie personen
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg weigerde het verzoek van appellant om de datum van aanvang van zijn verblijf in Nederland in de basisregistratie personen (BRP) te wijzigen van 19 november 2014 naar 15 november 2014, de dag waarop hij feitelijk in Nederland aankwam. Appellant was op dat moment bedlegerig in het ziekenhuis en kon daardoor niet eerder persoonlijk aangifte doen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het college geen wettelijke bevoegdheid heeft om de datum van aanvang van het verblijf te baseren op de feitelijke verblijfsdatum in plaats van de datum van ontvangst van de aangifte. Appellant voerde aan dat het college zijn bevoegdheid had misbruikt door de wijziging te weigeren, mede omdat het gemeentehuis in het weekend gesloten was en er vermoedens waren dat hij zorgtoerisme pleegde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college uitsluitend bevoegd is om de datum van aanvang verblijf te registreren op basis van de datum waarop de aangifte is ontvangen, conform artikel 2.19 en 2.58 van de Wet BRP. Een belangenafweging is niet vereist indien het college niet bevoegd is een andere beslissing te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer C.J. Borman op 2 november 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het college tot wijziging van de datum van aanvang van verblijf in de BRP bevestigd.