ECLI:NL:RVS:2013:1600
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid terugkeerbesluit en inreisverbod vreemdeling
De minister vaardigde op 18 februari 2012 een terugkeerbesluit uit waarbij de vreemdeling werd opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte het besluit had getoetst aan een Tijdelijk besluit dat pas op 17 maart 2012 in werking trad, terwijl het terugkeerbesluit van 18 februari 2012 dateert. Hierdoor werd het hoger beroep gegrond verklaard en het eerdere vonnis vernietigd.
Vervolgens beoordeelde de Afdeling de inhoudelijke gronden van het beroep van de vreemdeling. De vreemdeling stelde onder meer dat de criteria voor het aannemen van een risico op onderduiken te ruim waren en dat het inreisverbod disproportioneel was. De Afdeling verwierp deze bezwaren, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie en de feiten dat de vreemdeling gebruik had gemaakt van vervalste documenten, geen vaste woonplaats had en onvoldoende middelen van bestaan.
Ook het beroep op humanitaire gronden en disproportionaliteit werd afgewezen, mede omdat de vreemdeling al eerder een asielaanvraag had verloren. De duur van het inreisverbod van twee jaar werd als rechtmatig beoordeeld en de berekening vanaf het moment van daadwerkelijke vertrek werd bevestigd.
De Afdeling verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod ongegrond, vernietigde het eerdere vonnis en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.