ECLI:NL:RVS:2012:BW9115
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inreisverbod en vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen besluiten van de minister die zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afwees, een inreisverbod oplegde en een vrijheidsontnemende maatregel voortzette. De voorzieningenrechter had het beroep van de vreemdeling deels gegrond verklaard, met name over de duur van het inreisverbod.
De Raad van State oordeelt dat de minister terecht mocht aannemen dat er een risico op onderduiken bestaat, mede vanwege het gebruik van valse identiteitspapieren en het ontbreken van vaste woonplaats en voldoende middelen van bestaan. Hierdoor was het gerechtvaardigd om de vertrektermijn geheel te onthouden en een inreisverbod uit te vaardigen. Ook is de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig, gelet op het grensbewakingsbelang en het feit dat de vreemdeling de terugkeerprocedure ontweken heeft.
Wel is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het inreisverbod een duur van twee jaar heeft gekregen en dat hij de vreemdeling niet heeft gewezen op de mogelijkheid om bijzondere individuele omstandigheden aan te voeren voor een verkorting van deze duur. Daarom is het besluit over de duur van het inreisverbod vernietigd. De overige klachten van de vreemdeling en de minister zijn ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige motivering en het bieden van hoor en wederhoor bij het opleggen van inreisverboden en vrijheidsontnemende maatregelen in het vreemdelingenrecht.
Uitkomst: Het inreisverbod en de vrijheidsontnemende maatregel worden bevestigd, maar het besluit over de duur van het inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.