ECLI:NL:RVS:2013:1618
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen verblijfsvergunning voor Hazara-vreemdeling wegens onvoldoende risico op vervolging
De minister heeft op 22 maart 2012 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en geweigerd ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat Hazara's in Kaboel geen kwetsbare minderheid zijn, maar stelde vast dat zij juist tot een grotere etnische groep behoren. Verder concludeerde de Afdeling dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, ook niet vanwege eerwraak of zijn minderjarigheid.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning blijft in stand.