ECLI:NL:RVS:2013:1632
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende bewijs kosten en overeenkomst
De Belastingdienst heeft het voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 voor appellant herzien en op nihil gesteld. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij wel recht had op toeslag omdat de opvang plaatsvond op basis van een schriftelijke overeenkomst en dat hij kosten had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de opvang op basis van een schriftelijke overeenkomst plaatsvond en dat hij kosten had gemaakt.
In hoger beroep stelde appellant dat hij met een fax van 7 juli 2008 aannemelijk had gemaakt dat de opvang vanaf die datum op basis van een schriftelijke overeenkomst plaatsvond. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dit betoog slaagt en dat de rechtbank dit ten onrechte niet heeft meegewogen. De Afdeling beoordeelde vervolgens de overige beroepsgronden.
Appellant voerde aan dat hij met kwitanties, bankafschriften en een aangifte inkomstenbelasting van de gastouder had aangetoond dat hij kosten had gemaakt. De Afdeling stelde vast dat deze stukken onvoldoende bewijs vormen dat appellant daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor kinderopvang in de betreffende periode. De bankafschriften betroffen contante opnames uit 2006 en de aangifte van de gastouder toonde niet aan dat betalingen van appellant waren ontvangen.
De Afdeling concludeerde dat de Belastingdienst terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de periode januari tot en met oktober 2008. Het hoger beroep werd gegrond verklaard vanwege de onjuiste motivering van de rechtbank over de schriftelijke overeenkomst, maar de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard maar de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat appellant geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over januari tot en met oktober 2008.