ECLI:NL:RVS:2013:1677
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €9.500 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning en het niet vaststellen van de identiteit van de vreemdeling bij aanvang van de werkzaamheden. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze boete, maar zowel de rechtbank als de Raad van State verklaarden deze ongegrond.
De Raad van State overwoog dat het werkgeversbegrip in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) ruim is en de boeteoplegging niet in strijd is met het lex certa-beginsel. Tevens is de boeteoplegging niet in strijd met de onschuldpresumptie, aangezien de verwijtbaarheid weerlegbaar is en de bewijslast daarvoor bij appellant ligt.
Appellant voerde aan dat de boete onevenredig hoog is en dat de verantwoordelijkheid bij ISS lag, die de schoonmaakwerkzaamheden uitvoerde. De Raad van State oordeelde dat de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever geldt en dat de minister bij de boeteoplegging rekening moet houden met ernst en omstandigheden, wat hier is gebeurd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €9.500 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en verklaart het hoger beroep ongegrond.