ECLI:NL:RVS:2017:1242
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde een boete van €28.500 op aan de voormalige vennootschap onder firma wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning en het niet naleven van administratieve verplichtingen. Na bezwaar en beroep handhaafde de rechtbank de boete deels, maar het hoger beroep bij de Raad van State leidde tot vernietiging van deze uitspraken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vennootschap als feitelijk werkgever kon worden aangemerkt, ongeacht het ontbreken van een arbeidsovereenkomst. Het beleid van de minister inzake boeteoplegging werd als niet onredelijk beoordeeld, maar de hoogte van de boete werd gematigd vanwege de goede trouw van de appellant, het ontbreken van financieel voordeel en het feit dat de overtreding niet opzettelijk was.
De Raad van State stelde de boete vast op €14.250, wat neerkomt op een matiging van 25%. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van werkgevers, maar ook de mogelijkheid tot matiging bij verminderde verwijtbaarheid.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €14.250 met een matiging van 25%.