Conclusie
Datum conclusie: 24 december 2013
(zie noot 1)zij het met dien verstande dat het aangescherpte beleid in die provincies eerst met ingang van 1 mei 2012 is gehandhaafd.
(zie noot 2)Het B-criterium ("besloten club") houdt in dat coffeeshops uitsluitend toegang mogen verlenen en softdrugs mogen verkopen aan leden van de coffeeshop. Daarbij geldt dat de coffeeshop in één kalenderjaar maximaal 2000 lidmaatschappen uitgeeft en dit in de vorm van een controleerbare ledenlijst documenteert, dat een coffeeshop maximaal 2000 leden heeft en dat het lidmaatschap tot één coffeeshop is beperkt. Het I-criterium ("ingezetenen") houdt in dat aan anderen dan ingezetenen van Nederland van 18 jaar of ouder geen lidmaatschap voor de coffeeshop wordt uitgegeven. Uit de Aanwijzing Opiumwet (2011A021) volgt dat tegen coffeeshops die op grond van een door het gemeentebestuur afgegeven vergunning, beschikking of verklaring worden gedoogd, niet strafrechtelijk wegens de verkoop van op lijst II van de Opiumwet vermelde hennepproducten zal worden opgetreden, zolang het B-criterium en het I-criterium, alsmede de overige criteria van de Aanwijzing (de zogenoemde AHOJG-criteria) worden nageleefd. Bij brief van 17 juli 2013 heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mij verzocht in de drie zaken een conclusie te nemen over de in die zaken niet eenduidig beantwoorde vraag naar de toelaatbaarheid van het B-criterium en het I-criterium.
1.Feiten en procesverloop
- dat de door de burgemeester vastgestelde beleidsregels contra legem zijn en derhalve hogere wet- en regelgeving doorkruisen;
- dat het in strijd is met de wet dat het College van procureurs-generaal criteria heeft geïntroduceerd die kennelijk enkel dienen voor handhaving door de burgemeester en niet door het Openbaar Ministerie (hierna ook: OM);
- dat de beleidsregels niet evenredig zijn;
- dat de beleidsregels strijdig zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen;
- dat het I-criterium in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM);
- dat het B-criterium in strijd is met de Grondwet en de daarin opgenomen vrijheid van vereniging;
- dat voor de verwerking van persoonsgegevens (door de coffeeshophouder) een wettelijke grondslag ontbreekt.
(zie noot 3)Bij haar uitspraak oordeelde de rechtbank dat de burgemeester op grond van artikel 4:84 (lees: artikel 4:81) van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevoegd is beleidsregels op te stellen voor de wijze waarop hij zijn bevoegdheid krachtens artikel 13b van de Opiumwet zal uitoefenen en dat het hem vrijstaat om daarbij, wat de toetsingscriteria betreft, zo nauw mogelijk bij de Aanwijzing Opiumwet aan te sluiten. Wat betreft de in het door de burgemeester gevoerde beleid (het "Damoclesbeleid") opgenomen I- en B-criteria achtte de rechtbank van belang of het hier gaat om zuivere, op de formele wet terug te voeren gedoogcriteria, dan wel of dit beleid tot een actief handelen verplicht. Volgens de rechtbank betreft het I-criterium (louter) een gedoogvoorwaarde, maar worden met het B-criterium verplichtingen voor de coffeeshophouder in het leven geroepen, te weten de documentatie van de leden door middel van een daartoe aan te leggen controleerbare ledenlijst. Het bij beleidsregels opleggen van verplichtingen aan burgers is echter niet toegestaan, in welk verband de rechtbank verwees naar HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1359, AB 2005/31 m.nt. F.J. van Ommeren. Ten aanzien van het I-criterium oordeelde de rechtbank dat, waar het door haar van toepassing geachte artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM onder meer proportionaliteit van dit criterium verlangt, de burgemeester niet met een verwijzing naar de (openbare-orde)situatie in Maastricht in 2008 (waarop de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9684, JB 2011/250 m.nt. R.J.B. Schutgens betrekking had) kan volstaan, maar dient te motiveren waarom ook thans een minder vergaande maatregel niet mogelijk zou zijn. Waar het primaire besluit berustte op de combinatie van een schending van het B- en I-criterium, kan het primaire besluit, ondanks de mogelijkheid voor verweerder om het geconstateerde motiveringsgebrek met betrekking tot het I-criterium te herstellen, volgens de rechtbank niet in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit van 8 mei 2012 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats van het vernietigde bestreden besluit treedt.
(zie noot 4)Bij haar uitspraak heeft zij vooropgesteld dat de omstandigheid dat met betrekking tot coffeeshops een gedoogbeleid wordt gevoerd, niet afdoet aan de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet, in welk verband de rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7161, AB 2011/103 m.nt. F.R. Vermeer (rov. 3). Voorts heeft de rechtbank in verband met de beginselplicht tot handhaving overwogen dat er geen concreet zicht op legalisering is (rov. 4). Met betrekking tot het B-criterium heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat dit criterium de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat. Volgens de rechtbank leidt het B-criterium immers ertoe dat de overheid organiseert dat personen die softdrugs willen gebruiken en dus strafbare feiten willen plegen, lid dienen te worden van een vereniging/club die het plegen van strafbare feiten faciliteert. Juist van de overheid mag worden verwacht dat zij het oprichten van dit soort verenigingen of clubs tegengaat en niet - zoals hier - stimuleert, aldus de rechtbank (rov. 6). Het I-criterium daarentegen is volgens de rechtbank acceptabel. Weliswaar is sprake van een (indirect) onderscheid naar nationaliteit, maar naar het oordeel van de rechtbank is daarvoor een voldoende rechtvaardiging in het licht van de non-discriminatiebepalingen van artikel 1 van Pro de Grondwet en diverse internationale verdragen. Volgens de rechtbank is het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd, gelet op het doel van het criterium om drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast te bestrijden. Weliswaar is in Tilburg niet in dezelfde mate als in Maastricht sprake van overlast, maar dat maakt niet dat het hanteren van het criterium kennelijk onredelijk is, nu de burgemeester terecht grote waarde mag hechten aan interlokale en internationale belangen. De rechtbank is van oordeel dat hier ook geen sprake is van (nadere) regulering van de verkoop van softdrugs op gemeentelijk niveau, zoals dat het geval was in Maastricht (rov. 7). Waar De Cirkel zich niet heeft gehouden aan het I-criterium, kan het bestreden besluit volgens de rechtbank in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep van De Cirkel ongegrond verklaard.
In zijn hogerberoepschrift persisteert [exploitant] bij zijn stelling dat het B-criterium en het I-criterium strijd opleveren met verdrags- en grondrechten. In dat verband doet [exploitant] mede een beroep op artikel 2 van Pro het EVRM, dat zich ertegen zou verzetten dat de burgemeester buitenlanders afhankelijk maakt van de straathandel en aldus hun gezondheid in gevaar brengt.
[exploitant] memoreert dat het huidige kabinet van het B-criterium heeft afgezien, zulks terwijl het B- en het I-criterium eerder als onlosmakelijk met elkaar verbonden werden gepresenteerd. Volgens [exploitant] leidt toepassing van het I-criterium in de praktijk tot een onderscheid tussen burgers op basis van nationaliteit, in die zin dat de eis van ingezetenschap slechts wordt tegengeworpen aan personen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. [exploitant] bestrijdt voorts het oordeel dat het I-criterium (louter) een gedoogvoorwaarde betreft, die op de Opiumwet valt terug te voeren. Wat betreft het verbod van artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet om drugs binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, voert [exploitant] aan dat artikel 2 van Pro het Kaderbesluit harmonisering drugswetgeving degene die uitsluitend met het oog op persoonlijk gebruik dergelijke handelingen verricht, uitdrukkelijk ontziet,
(zie noot 5)dat de Schengen Uitvoeringsovereenkomst zich daartegen niet verzet en dat ook het OM blijkens de Aanwijzing Opiumwet onder 3.1 oog heeft voor de dagelijkse praktijk in verband met het grensoverschrijdende verkeer van cannabisconsumenten. [exploitant] benadrukt dat de Opiumwet geen onderscheid maakt op grond van nationaliteit of woonplaats en dat een zuiver op de Opiumwet terug te voeren criterium de in de wet beschreven strafbare gedraging en niet de woonplaats of de nationaliteit van de burger centraal moet stellen. Voorts is het I-criterium volgens [exploitant] niet (louter) een gedoogvoorwaarde, omdat het hem en zijn personeelsleden ertoe dwingt onderscheid te maken tussen burgers. Volgens [exploitant] leidt het huidige kabinetsbeleid tot willekeur, nu onder de noemer van "lokaal maatwerk" feitelijk alleen gemeenten in het zuiden van Nederland aan het I-criterium worden onderworpen. Dat heeft slechts een verplaatsing tot gevolg, in die zin dat bezoekers uit het zuiden hun heil zoeken in coffeeshops boven de grote rivieren, alsmede een verplaatsing van de handel in het zuiden naar de straathandel.
Volgens de burgemeester is de doelstelling van de door [exploitant] bestreden criteria enerzijds zoveel als mogelijk te voorkomen dat andere landen nadelige gevolgen ondervinden van het Nederlandse gedoogbeleid en anderzijds het aantal en de omvang van coffeeshops terug te brengen zodat dit weer kleinschalige voorzieningen voor lokale gebruikers worden. Daarmee geeft Nederland, nog steeds volgens de burgemeester, gevolg aan internationale verplichtingen en wordt bovendien de grote criminaliteit die het gevolg is van de door drugstoerisme veroorzaakte toename van het aantal en de omvang van coffeeshops bestreden; tevens wordt daarmee een bijdrage geleverd aan het bestrijden van openbare-ordeproblemen die drugstoerisme op lokaal niveau veroorzaakt.
De burgemeester betoogt dat voor de hand ligt dat hij bij de inrichting van zijn beleid, waarbij hem grote beleidsvrijheid toekomt, aansluiting heeft gezocht bij de Aanwijzing Opiumwet. Volgens hem zou voor "de driehoek" een onwenselijke situatie ontstaan wanneer hij zijn beleid ten aanzien van artikel 13b van de Opiumwet niet naar het landelijk kader zou inrichten.
De burgemeester benadrukt dat het geheel aan de houder van een coffeeshop is of hij bereid is de daaraan verbonden gedoogvoorwaarden na te leven. Het is steeds de keuze van de coffeeshophouder om zich met in beginsel strafbare activiteiten bezig te houden en zijn bedrijfsvoering daarop af te stemmen. Door het B- en I-criterium worden volgens de burgemeester geen nieuwe verplichtingen gecreëerd zonder dat daarvoor een toereikende wettelijke grondslag is. De norm was en is dat softdrugs niet mogen worden verkocht.
Volgens de burgemeester heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het B-criterium niet rechtmatig is en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom geen alternatieven voor het I-criterium voorhanden zouden zijn. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat, waar in 2008 voldoende argumenten voor hantering van het I-criterium bestonden, dat in 2012 anders zou (kunnen) zijn. Met dat oordeel heeft de rechtbank, nog steeds volgens de burgemeester, miskend dat de doelstellingen van zowel het B- als het I-criterium aanzienlijk ruimer zijn dan het enkele bestrijden van overlast van het drugstoerisme.
Voor zover het I-criterium al een inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel, acht de burgemeester die inbreuk (mede in het licht van HvJ EU 16 december 2010, C-137/09, ECLI:NL:XX:2010:BO8814, Jurispr. 2010, p. I-13019, NJ 2011/290 m.nt. A.H. Klip en AbRvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9684, JB 2011/250 m.nt. R.J.B. Schutgens) gerechtvaardigd door het daarmee nagestreefde doel. Uit het door de rechtbank genoemde Twaalfde Protocol vloeien volgens de burgemeester geen verdergaande verplichtingen voort dan uit andere non-discriminatiebepalingen zoals artikel 1 van Pro de Grondwet en de vrijheden uit het EU-Verdrag.
(zie noot 6)Ten slotte bestrijdt de burgemeester dat het B-criterium verplichtingen aan burgers oplegt. Coffeeshophouders zijn niet verplicht softdrugs te verkopen maar kunnen, wanneer zij dat wel doen, slechts aan strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving ontkomen door zich aan de gedoogcriteria (waaronder het B-criterium) te houden. Dat laatste maakt die criteria echter nog niet tot verplichtingen, aldus de burgemeester.
In zijn hogerberoepschrift schetst de minister het juridisch kader met betrekking tot cannabis, waarbij hij onder meer benadrukt dat voor de kopers van softdrugs geen gedoogbeleid, maar slechts een lage opsporingsprioriteit geldt. Ook schetst de minister ontwikkeling en achtergrond van het Nederlandse cannabisbeleid, volgens welke schets het B- en het I-criterium op twee grondslagen berusten. In de eerste plaats het belang dat drugstoerisme wordt tegengegaan, waartoe Nederland als lidstaat van de Europese Unie is gehouden op grond van de gemeenschappelijke verklaring bij artikel 71, tweede lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst en (de verklaring bij) Kaderbesluit 2004/757/JBZ. In de tweede plaats berusten de beide criteria op het gegeven dat grootschaliger coffeeshops - zowel in omvang als in omzet - gevoeliger voor inmenging door de georganiseerde criminaliteit zijn. Het gegeven dat de coffeeshop een risico voor de rechtsorde vormt, maakt volgens de minister dat de overheid is gerechtigd om het functioneren van coffeeshops verregaand te reguleren en ernaar te streven coffeeshops kleiner en beheersbaarder te maken. Ook daartoe strekken het B- en het I-criterium, in welk verband de minister aantekent dat de groei in aantal en omvang van coffeeshops voor een belangrijk deel door het toegenomen drugstoerisme wordt veroorzaakt. Aldus beschouwd strekken het B- en I-criterium tot het opnieuw bevestigen van de oorspronkelijke gedachte achter het gedoogbeleid dat coffeeshops kleinschalige gelegenheden zijn, die de lokale gebruikers de mogelijkheid geven om softdrugs te kopen en te gebruiken.
De minister bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het B-criterium onrechtmatig is en dat onvoldoende is gemotiveerd dat het I-criterium proportioneel is. Volgens de minister legt het B-criterium (en legt ook het I-criterium) geen verplichtingen aan coffeeshophouders op. Met dat criterium (die criteria) is geen nieuw voorschrift in het leven geroepen: verkoop van cannabis aan niet-ingezetenen en niet-leden was strafbaar en blijft strafbaar. Wat betreft het I-criterium stelt de minister zich voorts op het standpunt dat de proportionaliteit reeds is beoordeeld door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Volgens de minister heeft het Hof van Justitie het I-criterium in zijn arrest van 16 december 2010, C-137/09, ECLI:NL:XX:2010:BO8814, Jurispr. 2010, p. I-13019, NJ 2011/290 m.nt. A.H. Klip, in een breder perspectief geplaatst dan de bestrijding van overlast in Maastricht. Dat is volgens de minister ook terecht, nu de doelstelling die met het I-criterium wordt nagestreefd de bestrijding van het drugstoerisme is en die doelstelling aanzienlijk breder is dan de bestrijding van de lokale overlast die drugstoerisme veroorzaakt. Volgens de minister heeft drugstoerisme in Nederland geleid tot een enorme uitbreiding van de vraag naar softdrugs, waardoor boven- en onderwereld sterk verweven zijn geraakt waar het de productie en distributie van cannabis betreft en ernstige criminaliteit sterk is toegenomen. Ten slotte komt ook in de opvatting van de minister aan artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol geen verdere strekking toe dan aan artikel 1 van Pro de Grondwet en aan het beginsel van non-discriminatie bij de vier verkeersvrijheden van het EU-Verdrag.
(zie noot 7)
Volgens VOCM heeft de rechtbank miskend dat de last onder bestuursdwang van 8 mei 2012 niet alleen het individuele belang van [exploitant] raakt, maar ook het algemene belang van de vereniging en de individuele belangen van ieder van haar leden.
De Cirkel klaagt dat de rechtbank een deel van haar stellingen onbesproken heeft gelaten, met het oog op het streven naar finale geschillenbeslechting buiten de kaders van het aan haar voorgelegde geschil is getreden en ex nunc heeft getoetst.
Volgens De Cirkel kan zij zich, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel degelijk beroepen op de verkeersvrijheden of op het beginsel van non-discriminatie. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 december 2010 heeft uitsluitend betrekking op de toenmalige gemeentelijke regeling van Maastricht, aldus De Cirkel. Bij toepassing van een landelijk geldende regeling als de Aanwijzing Opiumwet zijn de lidstaten volgens De Cirkel verplicht EU-burgers gelijk te behandelen, in welk verband De Cirkel verwijst naar HvJ EG 6 oktober 2009 (Dominic Wolzenburg), C-123/08, ECLI:NL:XX:2009:BJ9857, Jurispr. 2009, p. I-9621, NJ 2009/591 m.nt. N. Keijzer.
De Cirkel betoogt dat het I-criterium een vorm van regulering behelst, die in strijd is met de als uitputtend bedoelde Opiumwet. De burgemeester is, nog steeds volgens De Cirkel, niet zelfstandig bevoegd het I-criterium als beleidsregel vast te leggen, omdat beleidsregels beperkt moeten blijven tot het hanteren van een bevoegdheid waarover het bestuursorgaan reeds beschikt. In het kader van de Opiumwet komt de burgemeester geen regulerende bevoegdheid toe.
Volgens De Cirkel kan voor het onderscheid tussen personen dat het I-criterium maakt, geen rechtvaardiging worden gevonden in het bestrijden van overlast, omdat in Tilburg geen sprake was van drugstoerisme in een mate dat dit leidde tot overlast in de zin van ordeverstoringen. Evenmin kan een voldoende zwaarwegend belang worden gevonden in de algemene stelling dat met het I-criterium aan verdragsverplichtingen wordt voldaan, in de eerste plaats omdat in Europa geen verplichting geldt tot het bestrijden van drugsdelicten die uitsluitend zien op het (vervoer ten behoeve van) eigen gebruik, in de tweede plaats omdat slechts sprake zou zijn van een plaatselijke schijnbijdrage in verband met de mogelijkheid dat niet-ingezetenen zich elders (bijvoorbeeld in Amsterdam) voorzien door iets verder Nederland binnen te reizen.
De burgemeester heeft bij aanvullend beroepschrift van 2 april 2013 de gronden van zijn hoger beroep aangevuld door te verwijzen naar het hierna te noemen aanvullend beroepschrift van de minister van Veiligheid en Justitie.
In zijn aanvullend hogerberoepschrift schetst de minister het wettelijk kader, de ontwikkeling en achtergrond van het Nederlandse cannabisbeleid en de achtergrond van de wijziging van de Aanwijzing Opiumwet, waarbij het B- en het I-criterium zijn toegevoegd. De beschouwingen van de minister stemmen zakelijk overeen met het hiervóór (onder 1.12) reeds weergegeven betoog in het hogerberoepschrift van de minister tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 april 2013.
Volgens de minister heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het B-criterium een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat. Volgens de minister is uitgangspunt dat het lokale bestuur het coffeeshopbeleid - binnen het landelijk kader van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet - vaststelt en de regie voert. De lokale driehoek vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de dagelijkse handhaving. Volgens de minister is een handhavingsarrangement waarbinnen het optreden van bestuur, het optreden van politie en het optreden van het OM op elkaar aansluiten en elkaar aanvullen ("eenheid van rechtshandhaving"), daarbij onontbeerlijk.
De minister bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het B-criterium ertoe zou leiden dat de overheid organiseert dat personen die softdrugs willen kopen en dus strafbare feiten plegen, lid dienen te worden van een vereniging/club, welke vereniging/club het plegen van strafbare feiten zou faciliteren, en dat de overheid dus verenigingen/clubs stimuleert daar waar deze zouden moeten worden tegengegaan. Volgens de minister is het doel van het B-criterium te bevorderen dat coffeeshops weer kleinschalige voorzieningen worden die de lokale markt bedienen. Van het door de overheid doen oprichten van verenigingen of clubs is volgens de minister geen sprake; het gaat slechts om het stellen van een relevante beperking aan het open karakter van coffeeshops. Daarmee wordt het plegen van strafbare feiten niet gefaciliteerd, maar worden de mogelijkheden daartoe juist beperkt. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft aangegeven op welke wijze artikel 8 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro het EVRM voor haar oordeel relevant zijn. Volgens de minister is het enkele feit dat, als coffeeshophouders softdrugs willen verkopen, zij daartoe gebruik moeten maken van een vereniging/club om de beslotenheid te realiseren, niet met het bepaalde in artikel 8 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro het EVRM in strijd. Als het recht van vereniging al in het geding is, dan geldt, nog steeds volgens de minister, dat het belang van de openbare orde en de in artikel 11, tweede lid, van het EVRM genoemde beperkingen zonder meer een voldoende rechtvaardiging vormen om het B-criterium te introduceren.
2.Het verzoek om een conclusie
Daarbij heeft de voorzitter in de eerste plaats erop gewezen dat het oordeel van de rechtbank Limburg en de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat het B-criterium rechtens niet toelaatbaar is, op uiteenlopende overwegingen berust. De voorzitter heeft verzocht op dat oordeel en op die uiteenlopende overwegingen in te gaan, waarbij hij heeft aangetekend dat de Afdeling van belang acht of het B-criterium in strijd is met het recht, in het bijzonder met artikel 8 van Pro de Grondwet (vrijheid van vereniging), artikel 11 van Pro het EVRM (vrijheid van vereniging) en artikel 8 van Pro het EVRM (eerbiediging privéleven). Voorts heeft de voorzitter in verband met het B-criterium verzocht in te gaan op de vraag of voor de verwerking van persoonsgegevens door de coffeeshophouder een wettelijke verwerkingsgrondslag aanwezig is.
In verband met het I-criterium heeft de voorzitter verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9684, JB 2011/250 m.nt. R.J.B. Schutgens, en het daaraan voorafgaande prejudiciële arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 december 2010, C-137/09, ECLI:NL:XX:2010:BO8814, Jurispr. 2010, p. I-13019, NJ 2011/290 m.nt. A.H. Klip. Zoals de voorzitter heeft gememoreerd, hebben de rechtbank Limburg en de rechtbank Zeeland-West-Brabant die uitspraak en dat arrest in de bestreden uitspraken betrokken, maar zijn zij daarbij tot uiteenlopende oordelen gekomen. De voorzitter heeft verzocht daaraan aandacht te besteden, alsmede aan de vraag of het I-criterium inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet, artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol, artikel 26 van Pro het IVBPR en de artikelen 20-26 van het Handvest en, mocht dat zo zijn, of hiertoe een zwaarwegende reden bestaat en of het doel niet met minder ingrijpende middelen kan worden verwezenlijkt. Tevens ware volgens de voorzitter aandacht te besteden aan de reikwijdte (gemeentelijk niveau of nationaal niveau) van voormeld prejudicieel arrest in het licht van de door het Hof uitgevoerde toets of het I-criterium geschikt is en niet verder gaat dan noodzakelijk.
- Unierechtelijke verplichtingen met betrekking tot drugstoerisme (onder 4);
- het prejudiciële arrest van 16 december 2010 (onder 5);
- de Aanwijzing Opiumwet (onder 6);
- andere uitspraken met betrekking tot het B- en het I-criterium (onder 7);
- de vragen over het B-criterium (onder 8), waarbij aan de orde komen:
• de vrijheid van vereniging (8.11-8.15);
• privéleven en de Wet bescherming persoonsgegevens (8.16-8.22);
• de verschillende kaders van APV en artikel 13b Opiumwet (9.5-9.12);
• bestrijding drugstoerisme als rechtvaardigingsgrond (9.13-9.22);
• rechtvaardiging, geschiktheid en proportionaliteit (10.3-10.13);
• de reikwijdte van het prejudiciële arrest (10.14-10.15).
3.Artikel 13b van de Opiumwet
(zie noot 8)
(zie noot 9)
(zie noot 10)
(zie noot 11)
(zie noot 12)
(…)
Nu van het bestuur een actieve opstelling wordt verwacht bij de handhaving van de Opiumwet, menen wij dat het bestuur daartoe over een geëigend instrumentarium moet beschikken. Het plegen van handelingen in strijd met de Opiumwet is naar onze overtuiging op zich voldoende rechtvaardiging voor handelend optreden van een gemeente. Gelet op het uitputtende karakter van de Opiumwet, is sluiting op basis van een gemeentelijke verordening, dan wel met gebruikmaking van artikel 174 van Pro de Gemeentewet een omweg die naar ons oordeel niet meer past bij de rol die het bestuur in de praktijk in feite bij de handhaving van de Opiumwet vervult. Bij de bestuurlijke handhaving gaat het momenteel alleen om de effecten op het openbare leven en niet zozeer om de oorzaak daarvan. De gemeentelijke wetgever is, zoals hiervoor gezegd, alleen bevoegd de oorzaak van die effecten in zijn regelgeving te betrekken als die oorzaak niet geregeld is in hogere regelgeving. Aangezien de Opiumwet geen uitvoerende bevoegdheid aan het gemeentebestuur toekent, heeft het bestuur nu geen mogelijkheid bestuurlijk op te treden bij overtredingen van de Opiumwet. Alleen indien het gebruik van of de handel in drugs een al dan niet geabstraheerde vorm van overlast oplevert, is een rol voor de decentrale overheid weggelegd."
(zie noot 13)
(zie noot 14)Het sluiten van de coffeeshop is daarbij voorbehouden aan het lokale bestuur. Wij menen dat het niet past de mogelijkheid van sluiting vervolgens afhankelijk te laten zijn van het zich voordoen van een verstoring van de openbare orde. Het niet bestaan van een sluitingsbevoegdheid - als meest indringende instrument om een einde te maken aan de handel in drugs - zou een aanzienlijke uitholling betekenen van de handhaving van de in de lokale driehoek gemaakte afspraken."
4.Unierechtelijke bepalingen
(zie noot 15)
(…)"
(zie noot 16)Artikel 2 van Pro dit kaderbesluit luidt als volgt:
b) het kweken van papavers, cocaplanten of cannabisplanten;
c) het in bezit hebben of aankopen van drugs met het oog op een van de onder a) genoemde activiteiten;
d) het vervaardigen, vervoeren of distribueren van precursoren in de wetenschap dat ze zullen worden gebruikt voor het illegaal produceren of vervaardigen van drugs.
(zie noot 17)
De Raad onderstreept hoe belangrijk het is op alle niveaus krachtig stelling tegen de drugshandel te nemen en hij benadrukt dat er een grensoverschrijdende en samenhangende benadering bij de bestrijding van drugshandel moet worden gevolgd.
In dit verband wijst de Raad voorts met klem op de onderlinge relatie tussen de wetgevingen van alle lidstaten en op het belang dat erin gelegen is het fenomeen van drugstoerisme de kop in te drukken."
De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen."
5.Het prejudiciële arrest van 16 december 2010
De Afdeling heeft zich gevoegd naar het oordeel van het Hof dat verkoop van verdovende middelen die geen deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten strikt gecontroleerde circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden, buiten het bereik van de verkeersvrijheden van het Unierecht valt (rov. 2.7.2). Ook heeft de Afdeling zich gericht naar het oordeel dat, voor zover het I-criterium coffeeshops de verkoop van alcoholvrije dranken en eetwaren aan niet-ingezetenen belet, zulks weliswaar binnen het bereik valt van de artikelen 49 en volgende van het EG-Verdrag (thans: de artikelen 56 en volgende van het VWEU), maar dat het doel het drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast tegen te gaan, een inbreuk op die bepalingen rechtvaardigt (rov. 2.7.3).
In haar uitspraak oordeelde de Afdeling dat met het in artikel 2.3.1.3e, eerste lid, van de APV vervatte I-criterium (waarmee werd beoogd een einde te maken aan de overlast veroorzaakt door het grote aantal toeristen dat in Maastrichtse coffeeshops softdrugs wil kopen en gebruiken; zie rov. 2.10.1) een indirect onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt en dat het maken van dat onderscheid in strijd is met artikel 1 van Pro de Grondwet, indien daarvoor geen objectieve en redelijke gronden bestaan (rov. 2.10.4). De Afdeling is, anders dan de rechtbank, in dat verband tot de conclusie gekomen dat voor het met het I-criterium gemaakte indirecte onderscheid naar nationaliteit objectieve en redelijke gronden bestaan en dat het criterium niet in strijd is met artikel 1 van Pro de Grondwet (rov. 2.10.6). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester aannemelijk gemaakt dat de openbare orde in de gemeente Maastricht door de toenemende stroom niet-ingezetenen wordt aangetast en dat die aantasting met het in de APV en het besluit van de burgemeester van 13 juli 2006 neergelegde I-criterium kan worden tegengegaan. Voorts heeft de burgemeester volgens de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de openbare orde in de gemeente met minder verstrekkende maatregelen onvoldoende wordt gewaarborgd.
6.De Aanwijzing Opiumwet
Het gedoogbeleid moet worden onderscheiden van een lage opsporingsprioriteit die op andere punten aan strafbare feiten wordt toegekend. De toekenning van een lage opsporingsprioriteit aan bepaalde categorieën van strafbare feiten is in het algemeen gelegen in de relatieve ernst van de strafbare feiten afgezet tegen capacitaire overwegingen.
(zie noot 18). In die versie vermeldt de Aanwijzing onder "Pre-opsporing, 1. Gedoogbeleid coffeeshops" onder meer:
Voor coffeeshops in de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland gelden per 1 januari 2012 tevens de voorwaarden dat coffeeshops klein en besloten zijn (besloten club: B) en zich in hun verkoop richten op de lokale markt (Ingezetenen van Nederland: I). Met deze voorwaarden (de B- en I-criteria) wordt beoogd om coffeeshops kleiner en meer beheersbaar te maken en om drugstoerisme tegen te gaan.
(…)
In de lokale driehoek kan worden afgesproken dat in een gemeente in het geheel geen coffeeshops worden gedoogd, de zogenaamde nuloptie. In gemeenten die de nuloptie niet hanteren geldt een coffeeshopbeleid dat voorziet in een maximum aantal coffeeshops. Naast de AHOJG-criteria kunnen gemeenten in overleg met de partners in de lokale driehoek aanvullende voorschriften formuleren waaraan gedoogde coffeeshops moeten voldoen. Deze voorschriften vormen een onderdeel van het lokale coffeeshopbeleid en kunnen bijvoorbeeld worden opgenomen in een exploitatievergunning of een gedoogverklaring. In deze ondernemingen zal er tegen de verkoop van op lijst II vermelde hennepproducten binnen de kaders van de (BI)AHOJG-criteria, waarover hierna in paragraaf 2.2.2 meer, niet strafrechtelijk worden opgetreden.
De handhaving van de gedoogcriteria ligt - zoals nu ook reeds het geval is - primair bij de burgemeester in de uitoefening van zijn sluitingsbevoegdheid ex artikel 13b van de Opiumwet. De strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie is het sluitstuk op de bestuurlijke handhaving door de gemeente. Het integrale beleid ten aanzien van coffeeshops dient ertoe om tot een evenwichtige inzet van de verschillende beheersingsinstrumenten te komen. Naast het strafrechtelijke instrumentarium is in artikel 13b OW een bestuursdwangbevoegdheid opgenomen die door de burgemeester kan worden uitgeoefend indien in woningen of lokalen dan wel op daarbij behorende erven drugs worden verkocht, verstrekt of afgeleverd. Deze bevoegdheid kan ook worden gebruikt ten aanzien van coffeeshops die zich niet aan de voorwaarden houden. De bevoegdheid van de burgemeester doet op geen enkele wijze afbreuk aan de bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden.
In de lokale driehoek worden afspraken gemaakt over een geïntegreerde en complementaire inzet van het strafrechtelijke en bestuursrechtelijke instrumentarium en de daarbij behorende verantwoordelijkheden van de driehoekspartners. Deze afspraken vormen de basis voor de inzet van het lokaal bestuur, politie en OM."
I: geen lidmaatschap voor de coffeeshop voor anderen dan ingezetenen van Nederland van achttien jaar of ouder.
Deze criteria gelden per 1 januari 2013 in heel Nederland.
Gemeenten kunnen aanvullende voorschriften opnemen. Gemeenten in andere delen van Nederland dan de drie zuidelijke provincies kunnen in afstemming met de driehoek tussentijds de nieuwe criteria voorschrijven."
• De bestrijding van drugstoerisme en georganiseerde drugsmisdaad zetten we met kracht door. Drugsrunners en illegale straathandel pakken we hard aan. Het gehalte werkzame stoffen in softdrugs wordt aan een maximum gebonden."
Wietpas» vervaltDe «wietpas» vervalt. Gemeenten kunnen - vanaf de datum van deze brief - afzien van handhaving van het besloten club criterium. Het besloten club criterium als opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet van het OM wordt daartoe geschrapt.
7.Andere rechterlijke uitspraken
(…)
4.14. Met BCD e.a. is de rechtbank echter van oordeel dat het B-criterium niet voldoet aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseis zoals deze worden gehanteerd bij het toepassen van de beperking van de rechten opgenomen in artikel 8 EVRM Pro en artikel 10 Gw Pro. De rechtbank stelt voorop dat het proportionaliteitsvereiste inhoudt dat inbreuken op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel en dat het subsidiariteitsvereiste er toe dient dat de overheid de voor de betrokkene minst nadelige wijze van verwerken van persoonsgegevens kiest.
4.1. BCD e.a. hebben aangevoerd dat de Aanwijzing in strijd is met het legaliteitsbeginsel, zoals neergelegd in onder meer artikel 4:83 Awb Pro, nu de Aanwijzing de coffeeshophouders verplichtingen oplegt die niet op een wet in formele zin zijn terug te voeren. De Staat heeft dit standpunt bestreden.
De rechtbank is van oordeel dat de Aanwijzing slechts invulling geeft aan de handhaving van de in de Opiumwet (Ow) neergelegde strafbaarstelling van de feiten zoals hierboven in 2.2 genoemd. De Ow biedt de Staat de wettelijke basis om de daar gegeven normen ongeclausuleerd te handhaven en geeft daarmee de uiterste contouren weer waarbinnen de Staat het begaan van opiumdelicten kan vervolgen. Binnen deze contouren heeft de Staat de vrijheid om zijn vervolgingsbeleid ten aanzien van softdrugs vorm te geven. Slechts als de Staat buiten de door de Ow gegeven contouren treedt is er sprake van strijd met het legaliteitsbeginsel. Nu de Staat met de beleidsregels neergelegd in de AHOJG-criteria en het B- en I-criterium, slechts zichzelf bij de uitvoering van de vervolging bindend beperkt door tevoren aan te geven wanneer al dan niet handhavend wordt opgetreden, is hiervan geen sprake. De door BCD aangehaalde uitspraak (met LJN nummer BQ9684) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) maakt dit niet anders, nu het in die zaak ging om de vraag of er naast de bepalingen in de Ow (en de daarop gebaseerde Aanwijzing) plaats is voor afwijkende autonome gemeentelijke regulering, welke vraag door de ABRS ontkennend werd beantwoord."
(…)"
(zie noot 19)In hoger beroep overwoog het hof onder meer:
(zie noot 20)
8.Beantwoording van de gestelde vragen; het B-criterium
(zie noot 21)De bedoelde overweging doet slechts in zoverre opgeld, dat een bestuursorgaan niet zonder daartoe strekkende en op de wet berustende bevoegdheid burgers rechtens tot een bepaald handelen kan verplichten. Daarvan is in verband met het B-criterium echter geen sprake. De burgemeester kan coffeeshophouders rechtens niet dwingen hun onderneming in de vorm van een besloten club te drijven. Wel kan de burgemeester binnen de grenzen van de hem in artikel 13b van de Opiumwet reeds toegekende bevoegdheid consequenties verbinden aan de keuze van de coffeeshophouder om zich wel of niet naar het B-criterium te richten, door, afhankelijk van die keuze, de coffeeshop te gedogen dan wel tot sluiting daarvan over te gaan.
(zie noot 22).
(zie noot 23)maar ook door het Hof van Justitie van de Europese Unie,
(zie noot 24)ondanks het feit dat kansspelactiviteiten, anders dan de verhandeling van cannabis, wel degelijk door de verkeersvrijheden van de Europese Unie worden bestreken en het Hof van Justitie aan de toelaatbaarheid van een nationale regulering ter zake van kansspelen de eis stelt dat zij de activiteiten met betrekking tot weddenschappen op samenhangende en stelselmatige wijze beperkt.
(zie noot 25)Weliswaar zijn de formaliteiten en rechtsgevolgen naar nationaal recht voor de uitleg van dat begrip niet zonder meer beslissend. Dat neemt echter niet weg dat ook het begrip "association with others" in de zin van artikel 11 van Pro het EVRM een zekere institutionele structuur verlangt en dat het bestaan van een (toevallige) groep van personen met min of meer gelijke belangen niet voldoende is.
(zie noot 26)Zo vormen de werknemers van één en dezelfde werkgever als zodanig geen vereniging, omdat hun onderlinge relatie louter op hun contractuele binding aan de werkgever is gebaseerd.
(zie noot 27)
(zie noot 28). Dat laatste is volgens het EHRM niet steeds het geval. Slechts als sprake is van "a form of such compulsion which, in the circumstances of the case, strikes at the very substance of the freedom of association guaranteed by Article 11", zal een dergelijke vorm van dwang "constitute an interference with that freedom". Het EHRM heeft in dat verband ook gewezen op het belang van de "notion of personal autonomy" als "an essential corollary of the individual's freedom of choice implicit in Article 11 and confirmation of the importance of the negative aspect of that provision".
(zie noot 29)Naar mijn mening kan voor artikel 8 van Pro de Grondwet hetzelfde worden aangenomen.
(zie noot 30)In de tweede plaats is er een meer principieel verschil, in die zin dat met de gedwongen aansluiting in geval van een closed shop de uitoefening door de werknemer van diens fundamentele recht op arbeid en diens vrijheid van meningsuiting op het spel staat
(zie noot 31), terwijl, bezien vanuit de optiek van de klant van de coffeeshop, van zijn "lidmaatschap" slechts afhankelijk is of hij van de gedoogde (maar verboden) verkoop van cannabis door die coffeeshop kan (blijven) profiteren. Het aanschaffen en gebruiken van cannabis, ook in gedoogde coffeeshops, is strafbaar en wordt niet gedoogd, zij het dat daarvoor volgens de Aanwijzing Opiumwet een lage opsporingsprioriteit geldt. De wens om die in de praktijk weliswaar niet opgespoorde, maar niettemin strafbare feiten te kunnen (blijven) plegen, is onvoldoende om aan te nemen dat het verlangde "lidmaatschap" inbreuk maakt op de in artikel 11 van Pro het EVRM vervatte keuzevrijheid en "personal autonomy". Dat zelfs beperkingen van uitdrukkelijk gedoogde maar niettemin strafbare activiteiten een wankele basis voor een beweerde inbreuk op het EVRM vormen, blijkt uit een recente niet-ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM die op het Nederlandse coffeeshopbeleid en op de intrekking van een gedoogbeschikking betrekking had.
(zie noot 32)Het EHRM overwoog, weliswaar met betrekking tot een beweerde inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM, onder meer:
(zie noot 33)maar het doel van de ledenlijst is strikter op te vatten dan als het mogelijk maken van illegale transacties. Het doel van de ledenlijst is de overheid in staat te stellen tot controle op de naleving van het B-criterium als voorwaarde voor het bestuurlijk gedogen van de betrokken coffeeshop; dát doel is niet met geschreven of ongeschreven recht in strijd. Overigens blijkt uit de wetsgeschiedenis tevens dat de aanwezigheid van één van de gronden van artikel 8 van Pro de Wbp met die van een "gerechtvaardigd" doel samenvalt: "Indien op grond van artikel 8 kan Pro worden gesproken van een «gerechtvaardigd doeleinde» is daarmee voldaan aan het vereiste van artikel 7 dat Pro persoonsgegevens moeten zijn verkregen voor een gerechtvaardigd doeleinde."
(zie noot 34)
(zie noot 35)Het enkele "lidmaatschap" van een coffeeshop impliceert geen strafrechtelijke persoonsgegevens in vorenbedoelde zin.
Bij de toepassing van de in grondrechtenbepalingen opgenomen beperkingsclausules spelen het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel een belangrijke rol. Het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel geldt rechtstreeks op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. (…) De inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Deze toets speelt een rol wanneer het gaat om de toepassing van de uitoefening van een bevoegdheid tot het verkrijgen van persoonsgegevens, waarbij een inbreuk op een grondrecht aan de orde is. Zij vergt een belangenafweging aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. Er moet telkens sprake zijn van «a fair balance that has to be struck between the demands of the general interest and the interest of the individual». Het subsidiariteitsbeginsel maakt in deze jurisprudentie geen expliciet onderdeel uit van het noodzakelijkheidsvereiste, maar wordt door het Hof wel beschouwd als een factor die een rol speelt in het kader van de evenredigheidstoetsing. Het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt dient in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze te kunnen worden verwerkelijkt. Op degene die persoonsgegevens verwerkt rust de plicht om binnen redelijke grenzen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van anderen te vermijden dan wel zo beperkt mogelijk te houden. Deze plicht omvat een tweetal aspecten. Allereerst dient men af te zien van de verwerking van persoonsgegevens indien hetzelfde doel ook langs andere weg en met minder ingrijpende middelen kan worden gerealiseerd, bij voorbeeld door de vergaring van anonieme gegevens. Wordt desondanks tot gegevensverwerking overgegaan, dan is van belang dat degene die gegevens wil verwerken in redelijkheid alle eventuele bestaande mogelijkheden benut om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te beperken.
Deze mede op de grondrechten gebaseerde beginselen nemen ook in het onderhavige wetsvoorstel een centrale positie in. Op veel plaatsen in het wetsvoorstel wordt de verwerking van gegevens gebonden aan het noodzakelijkheidscriterium. De norm behelst in die gevallen de noodzakelijkheidstoets in relatie tot een welbepaald, concreet aangeduid of nader aan te duiden doel."
(zie noot 36)
In de onderhavige zaken kan naar mijn mening echter niet zonder meer worden gevolgd dat rekening moet worden gehouden met de schadelijke gevolgen die een ander gebruik van de betrokken gegevens dan controle op het B-criterium voor de coffeeshopbezoeker zou kunnen hebben, zulks vanwege onzekerheid of de overheid de bedoelde informatie slechts ten behoeve van die controle zal gebruiken, dan wel bij een "wijziging van het politieke klimaat" tot een ander gebruik daarvan zal overgaan. Nog afgezien van haar speculatieve karakter lijkt deze argumentatie te miskennen dat de Wbp niet alleen een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin persoonsgegevens mogen worden verwerkt, maar op meer plaatsen ook inachtname van het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel bij de (verdere) verwerking van persoonsgegevens beoogt te waarborgen. Volgens de memorie van toelichting nemen deze beginselen (ook) in de Wbp zelfs "een centrale positie" in. Het is de overheid wettelijk slechts toegestaan de betrokken gegevens te gebruiken voor het doel waarvoor zij zijn verzameld. Ik zie geen aanwijzing dat de overheid zich niet naar die wettelijke verplichting zal gedragen. Integendeel, in de hiervóór (onder 6.6) geciteerde brief heeft de minister van Veiligheid en Justitie, geheel in overeenstemming met artikel 10, eerste lid, van de Wbp (volgens welke bepaling persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt), de verwachting uitgesproken dat coffeeshophouders in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland de aangelegde ledenlijsten in verband met het vervallen van het B-criterium zullen vernietigen.
9.Beantwoording van de gestelde vragen; het I-criterium
Gelet op de vier voorwaarden waaronder artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol volgens de rechtbank zou zijn geschonden (zie p. 5, bovenaan, van de bestreden uitspraak), is de rechtbank kennelijk van oordeel dat sprake is van een ongelijke behandeling in het genot van een (EVRM) recht van personen die zich in een in relevante opzichten vergelijkbare situatie bevinden en dat die ongelijke behandeling is gebaseerd op een persoonlijke eigenschap of status die door artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol wordt beschermd. Minder zeker is of de rechtbank van mening is dat met de ongelijke behandeling objectief gezien een redelijk en legitiem doel wordt nagestreefd; de rechtbank heeft zulks niet uitdrukkelijk vastgesteld, maar heeft slechts gesignaleerd "dat het geschil zich toespitst op de proportionaliteit van het I-criterium".
(zie noot 37)Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is blijkens zijn geschiedenis van totstandkoming bedoeld als een instrument om een geïntegreerde bestuurs- en strafrechtelijke aanpak bij de handhaving van de Opiumwet mogelijk te maken. Daarbij had de wetgever "een gecoördineerde inzet van bestuur, openbaar ministerie en politie" (zie hiervóór onder 3.2) op het oog en achtte hij de inzet van instrumenten in het kader van het lokale drugsbeleid "een zaak van het driehoeksoverleg" (zie hiervóór onder 3.3). Waar artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet erop is gericht een geïntegreerde bestuurs- en strafrechtelijke aanpak bij de handhaving van de Opiumwet mogelijk te maken, kan de burgemeester niet het recht worden ontzegd zich bij de uitoefening van de in die bepaling vervatte bevoegdheid te richten naar (de doeleinden van) het landelijk beleid ten aanzien van coffeeshops, zoals dat in de Aanwijzing Opiumwet is belichaamd.
(zie noot 38)Bij een dergelijke oriëntatie van het bestuurlijke handhavingsbeleid omvatten de doelstellingen daarvan mede die van het landelijk beleid (en de Aanwijzing Opiumwet).
(zie noot 39)
- Het middelengebruik van minderjarigen moet sterker worden tegengegaan. Met name kwetsbare jongeren dienen beschermd te worden tegen drugs- en alcoholgebruik, daarmee samenhangend probleemgedrag en tegen sociale marginalisering.
- Coffeeshops zijn uitgegroeid tot moeilijk beheersbare grote cannabisverkooppunten. De coffeeshops moeten terug naar waar ze oorspronkelijk voor bedoeld waren: verkooppunten voor de lokale gebruikers (kleinschalige gelegenheden).
- Versterking en verbreding van de strijd tegen de georganiseerde misdaad is nodig.
(….)
Het Nederlandse drugsbeleid is - mede gelet op de adviezen van de Commissie van de Donk - toe aan een nieuwe impuls.
Om overlast en criminaliteit die verband houden met coffeeshops en de handel in verdovende middelen tegen te gaan, zal een einde worden gemaakt aan het huidige «open-deur-beleid» van de coffeeshops. Coffeeshops moeten kleiner en beheersbaar worden gemaakt. Het ontstaan van zeer grote coffeeshops werkt al snel problematisch uit. De aantrekkingskracht van het Nederlandse drugsbeleid op gebruikers afkomstig uit het buitenland moet worden teruggedrongen. Coffeeshops worden klein en besloten en zullen zich in hun verkoop moeten gaan richten op de lokale markt. De handel in drugs is vergroot, geprofessionaliseerd en vercommercialiseerd. De aanpak georganiseerde (drugs)criminaliteit moet dan ook worden geïntensiveerd."
(zie noot 40)Dat is opmerkelijk, omdat de rule of reason, anders dan de rechtvaardigingsgronden die in het Verdrag regeling hebben gevonden, volgens de klassieke leer slechts toepassing kan vinden ten aanzien van maatregelen die zonder onderscheid naar nationaliteit of nationale herkomst worden toegepast.
(zie noot 41)Het I-criterium maakt (zij het indirect) een dergelijk onderscheid wél. Ook aan het Hof van Justitie is dat uiteraard niet ontgaan. In punt 76, in het kader van de bespreking van de vraag of de regeling voldoet aan de in punt 69 genoemde eis van geschiktheid (waartoe volgens punt 70 onder meer is vereist dat de regeling het daarmee te bereiken doel op coherente wijze nastreeft), spreekt het Hof van Justitie met zoveel woorden van "het discriminerende karakter van de regeling aan de orde in het hoofdgeding". Dat de regeling uitsluitend toepassing vindt op niet-ingezetenen, staat volgens het Hof van Justitie echter niet eraan in de weg dat zij het daarmee te bereiken doel op coherente wijze nastreeft:
(zie noot 42). Bovendien hebben die grondrechten inmiddels regeling gevonden in het Handvest, dat sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon dezelfde juridische waarde heeft als (onder meer) het VWEU (artikel 6 lid 1 van Pro het Verdrag betreffende de Europese Unie). Van het Handvest is in het bijzonder artikel 21 van Pro belang:
Non-discriminatie1. Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.
2. Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden."
The enjoyment of the rights and freedoms set forth in this Convention shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status."
1.The enjoyment of any right set forth by law shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status.
2. No one shall be discriminated against by any public authority on any ground such as those mentioned in paragraph 1."
Dat het Hof van Justitie artikel 21 van Pro het Handvest buiten beschouwing zou hebben gelaten omdat volgens artikel 51 van Pro het Handvest de bepalingen daarvan slechts tot de lidstaten zouden zijn gericht "wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen", kan bij de gegeven stand van de rechtspraak niet (meer) worden aangenomen. Voor het Hof van Justitie lijkt voor toepasselijkheid van de bepalingen van het Handvest op handelingen van de lidstaten te volstaan dat die handelingen een door het Unierecht beheerste situatie betreffen, zoals dat voorheen ook voor toepasselijkheid van de grondrechten als algemene rechtsbeginselen gold.
(zie noot 43)
(zie noot 44)
10.Resterende vragen
(…)
71. As to the second complaint, the Court points out that the sale of alcoholic drink is not per se unlawful in the Netherlands whereas the sale of soft drugs is.
(zie noot 45)
(zie noot 46)Dat dit laatste het geval zou zijn, heeft de minister overigens bij herhaling ontkend.
(zie noot 47)
(zie noot 48)
(zie noot 49)Concentratie van coffeeshops buiten het centrum impliceert op zichzelf echter niet dat de te verplaatsen coffeeshops hun activiteiten op een grotere schaal zullen brengen.
11.Conclusie
Staatsraad Advocaat-Generaal