ECLI:NL:RVS:2013:2558
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod vreemdeling ondanks beroep op privé- en gezinsleven en medische omstandigheden
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie had de vreemdeling ongewenst verklaard en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in tegen het inreisverbod, stellende dat zijn privéleven en gezinsleven in Nederland beschermd zijn onder artikel 8 EVRM Pro en dat medische omstandigheden een afzien van het inreisverbod rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het inreisverbod. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de staatssecretaris terecht een belangenafweging heeft gemaakt waarbij zwaar gewicht is toegekend aan het feit dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling van toepassing is vanwege ernstige misdrijven.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris voldoende rekening heeft gehouden met het privé- en gezinsleven van de vreemdeling, de medische situatie en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De belangenafweging is volgens de Afdeling zorgvuldig en evenwichtig gemaakt, en het inreisverbod is proportioneel en gerechtvaardigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het inreisverbod tegen de vreemdeling blijft in stand ondanks beroep op artikel 8 EVRM en medische omstandigheden.