ECLI:NL:RVS:2013:2622
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens onvoldoende inburgering en nationaliteitsafstand
De appellant verzocht om naturalisatie tot Nederlander, maar zijn verzoek werd door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 5 maart 2012 afgewezen. De minister stelde dat appellant niet voldeed aan de inburgeringseisen en niet bereid was afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank Rotterdam wees het beroep af op 11 april 2013.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij onvoldoende was ingeburgerd, mede omdat de staatssecretaris niet had onderzocht of het door appellant overgelegde certificaat van het Albeda College geldig was. De Raad oordeelde dat het certificaat niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat de staatssecretaris terecht geen vrijstelling van het inburgeringsexamen had verleend.
Daarnaast stelde appellant dat de inburgerings- en afstandsverplichtingen in strijd waren met het associatierecht tussen de Europese Unie en Turkije, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde echter vast dat de afwijzing van het naturalisatieverzoek geen beperking van vrijheden zoals vestiging of arbeidsmarkttoegang inhoudt en dat de situatie niet vergelijkbaar is met de genoemde uitspraken.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het naturalisatieverzoek wegens onvoldoende inburgering en het niet voldoen aan de afstandsverplichting.