ECLI:NL:CRVB:2011:BR4959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Inburgeringsplicht Turkse staatsburgers in strijd met associatierecht EU-Turkije
De zaak betreft hoger beroep tegen besluiten van verschillende gemeenten die Turkse staatsburgers verplichten tot het afleggen van het inburgeringsexamen binnen een bepaalde termijn, met boetes bij niet-naleving. Betrokkenen, allen Turkse staatsburgers met langdurig legaal verblijf en arbeid in Nederland, stelden dat deze inburgeringsplicht in strijd is met het associatierecht tussen de EU en Turkije.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraken van rechtbanken die oordeelden dat de inburgeringsplicht niet binnen de werkingssfeer van het associatierecht mag worden toegepast op Turkse staatsburgers die onder beschermende bepalingen vallen. De Raad verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU waarin is bepaald dat de standstillbepalingen en het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit gelden voor Turkse staatsburgers die legaal in Nederland verblijven.
De Raad stelt vast dat de inburgeringsplicht met de daaraan verbonden boetes een nieuwe beperking vormt van het verblijfsrecht van Turkse staatsburgers en daarmee in strijd is met het associatierecht. Het argument van appellanten dat de inburgeringsplicht objectief is en niet discriminerend, wordt niet gevolgd omdat EU-burgers niet aan deze plicht worden onderworpen. De Raad herroept de bestreden besluiten en veroordeelt appellanten in de proceskosten van betrokkenen.
Uitkomst: De inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers is in strijd met het associatierecht en de bestreden besluiten worden herroepen.