ECLI:NL:RVS:2013:365

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2013
Publicatiedatum
17 juli 2013
Zaaknummer
201304699/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • A.B.M. Hent
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring wegens ontbrekende belangenafweging

De vreemdeling werd op 14 april 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

In het hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de staatssecretaris bij het opleggen van de bewaring geen kenbare belangenafweging had gemaakt zoals vereist in de Vreemdelingencirculaire 2000. De Raad van State constateerde dat de maatregel onrechtmatig was opgelegd omdat de vereiste belangenafweging ontbrak, terwijl de bewaring alleen op grond van een dergelijke afweging toegestaan is wanneer een asielaanvraag nog niet is afgewezen.

De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een vergoeding toe voor de periode van de bewaring. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. De vrijheidsontnemende maatregel was inmiddels opgeheven, zodat geen bevel tot opheffing meer nodig was.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt onrechtmatig bevonden wegens het ontbreken van een belangenafweging.

Uitspraak

201304699/1/V3.
Datum uitspraak: 8 juli 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 mei 2013 in zaak nr. 13/10167 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 16 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in grief II dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris bij het opleggen van de maatregel van bewaring heeft nagelaten een kenbare belangenafweging te verrichten als bedoeld in paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). De vreemdeling betoogt dat hij in dit kader reeds in beroep heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 4 oktober 2011, in zaak nr. 201102760/1/V3 en 5 april 2013, in zaak nr. 201300957/1/V3.
2. Niet in geschil is dat de maatregel van bewaring ten onrechte krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is opgelegd en dat de staatssecretaris de vreemdeling direct op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring had moeten stellen.
3. Ten tijde van de inbewaringstelling op 14 april 2013 was de door de vreemdeling aangehaalde paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 vervangen door paragraaf A6/6.1 van de Vc 2000.
Volgens paragraaf A6/6.1 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, mag de bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000 voor vreemdelingen van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd nog niet is afgewezen, uitsluitend plaatsvinden en voortduren op grond van een daartoe strekkende belangenafweging. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die ook hulpofficier van justitie is, neemt over de belangenafweging contact op met de IND. In model M110a of in een proces-verbaal wordt verslag gedaan van dit overleg en de belangenafweging die heeft geleid tot het opleggen of voortduren van de bewaring ondanks de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd willen indienen of ingediend hebben, moet zo beperkt mogelijk geschieden.
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2012 in zaak nr. 201203503/1/V3) dient het dossier zowel uit een oogpunt van kenbaarheid als uit een oogpunt van toetsbaarheid stukken te bevatten die uitdrukkelijk blijk geven van de verrichte belangenafweging die volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 (thans na wijziging: A6/6.1 van de Vc 2000) is vereist, indien een asielzoeker in bewaring wordt gesteld.
3.2. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de staatssecretaris voorafgaand aan de inbewaringstelling op 14 april 2013 een concrete afweging met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag heeft gemaakt. In deze stukken wordt niet gemotiveerd waarom de staatssecretaris heeft besloten de vreemdeling in weerwil van zijn asielaanvraag in bewaring te stellen. Gelet hierop had de maatregel niet krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kunnen worden opgelegd. De maatregel is derhalve van aanvang af onrechtmatig. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Grief II slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens door de vreemdeling is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 april 2013 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 14 april 2013 tot 13 mei 2013, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 mei 2013 in zaak nr. 13/10167;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.370,00 (zegge: tweeduizend driehonderdzeventig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.
De voorzitter w.g. Van Dokkum
is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat
te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2013
480-755