ECLI:NL:RVS:2013:365
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring wegens ontbrekende belangenafweging
De vreemdeling werd op 14 april 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de staatssecretaris bij het opleggen van de bewaring geen kenbare belangenafweging had gemaakt zoals vereist in de Vreemdelingencirculaire 2000. De Raad van State constateerde dat de maatregel onrechtmatig was opgelegd omdat de vereiste belangenafweging ontbrak, terwijl de bewaring alleen op grond van een dergelijke afweging toegestaan is wanneer een asielaanvraag nog niet is afgewezen.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een vergoeding toe voor de periode van de bewaring. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. De vrijheidsontnemende maatregel was inmiddels opgeheven, zodat geen bevel tot opheffing meer nodig was.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt onrechtmatig bevonden wegens het ontbreken van een belangenafweging.