ECLI:NL:RVS:2013:815
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting zelfstandigheid vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €32.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtten. Appellant betwistte dit en stelde dat de vreemdelingen als zelfstandigen werkten, mede vanwege VAR-verklaringen en inschrijving bij de Kamer van Koophandel.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdelingen als werknemers moesten worden aangemerkt en dat de overtreding appellant volledig verwijtbaar was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zij voldoende had gedaan om overtreding te voorkomen en dat de boete in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, omdat andere betrokken werkgevers niet waren beboet.
De Raad van State overwoog dat appellant onvoldoende maatregelen had getroffen om de overtreding te voorkomen, geen aanvullende informatie had ingewonnen over de feitelijke arbeidsrelatie en dat de minister terecht de boete had opgelegd. Ook was het niet willekeurig dat alleen appellant was beboet, omdat de minister onvoldoende capaciteit had om alle betrokkenen te beboeten en appellant nauwer bij de werkzaamheden betrokken was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €32.000 wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder vergunning.