ECLI:NL:RVS:2013:914
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 12 juli 2011 de aanvragen van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de minister dit besluit op 5 december 2011. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader van de Vreemdelingencirculaire 2000 had miskend en dat het hoger beroep gegrond was. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en toetste het besluit van 5 december 2011 zelf. De vreemdelingen voerden onder meer aan dat het identificerend gehoor op de ambassade niet zorgvuldig was verlopen en dat de staatssecretaris ten onrechte had geoordeeld dat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij tot het gezin van de referent behoorden.
De Afdeling stelde vast dat het gehoor zorgvuldig was uitgevoerd, dat de tolken professioneel waren en dat er geen grond was voor het oordeel dat het verslag onjuist was. Ook oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van de referent uit Somalië tot diens gezin behoorden. De beroepen faalden en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun mvv-aanvragen wordt ongegrond verklaard.