Uitspraak
201003369/1/V6.
200106318/1brengt het punitieve karakter van de onderhavige boete met zich dat aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen moeten worden gesteld.
Raad van State
De minister legde aan appellant een boete van € 2000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid zou hebben verricht bij appellant's onderneming. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State beoordeelde het boeterapport en het proces-verbaal van de politie, waarin werd vastgesteld dat een vreemdeling goederen uit een bestelbusje had uitgeladen en een kratje naar binnen had gedragen. Appellant voerde aan dat sprake was van spontane hulpverlening en dat het proces-verbaal onjuist en onnauwkeurig was. De Raad oordeelde dat het proces-verbaal onvoldoende grond bood om te concluderen dat er sprake was van arbeid in de zin van de Wav, mede omdat het niet duidelijk was onder welke omstandigheden de handeling plaatsvond en aanvullend onderzoek ontbrak.
Daarom vernietigde de Raad het boetebesluit en de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde de Raad de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant. De uitspraak benadrukt de strenge eisen aan bewijs en motivering bij het opleggen van bestuurlijke boetes met een punitief karakter.
Uitkomst: Het boetebesluit wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder vergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.