ECLI:NL:RVS:2013:BY8856
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verblijfsvergunning asiel na overdracht aan Polen op grond van Dublinverordening
De vreemdeling, samen met haar minderjarig kind, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister wees dit verzoek af, waarna de rechtbank deze beslissing bevestigde. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat zij niet aan Polen mocht worden overgedragen vanwege het ontbreken van een claimakkoord voor haar zoon en risico’s op detentie en gebrek aan opvang en medische zorg in Polen.
De Raad van State overwoog dat de grieven over de zoon niet in eerste aanleg waren ingebracht en daarom niet ontvankelijk waren. Verder werd geoordeeld dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in Polen geen bescherming kon krijgen tegen problemen met bepaalde groepen, mede omdat zij geen bescherming had gevraagd aan de Poolse autoriteiten.
De Raad nam het standpunt van de staatssecretaris over dat de Poolse autoriteiten vrouwen met minderjarige kinderen vermijden in detentie te plaatsen en dat gedetineerde vreemdelingen wel recht hebben op medische zorg. De aangevoerde rapporten en artikelen boden onvoldoende concrete aanwijzingen om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen.
De Raad concludeerde dat de rechtbank en staatssecretaris terecht uitgingen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en bevestigde de eerdere uitspraak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak met verbeterde gronden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.