ECLI:NL:RVS:2013:BY8857
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-terugwerkende intrekking verblijfsvergunning wegens onjuiste gegevens
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de intrekking van een verblijfsvergunning van een vreemdeling met terugwerkende kracht tot het moment van verlening onrechtmatig achtte. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling onjuiste verklaringen had afgelegd over het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, waardoor intrekking met terugwerkende kracht gerechtvaardigd zou zijn.
De Raad van State overweegt dat de wet toestaat dat een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop niet meer werd voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend. Echter, het enkele feit dat de vreemdeling pas later heeft toegegeven niet meer samen te wonen, vormt onvoldoende grond om zonder haar te horen de intrekking terug te laten werken tot het moment van verlening.
De Raad bevestigt dat de intrekking slechts met terugwerkende kracht tot 1 maart 2010 mogelijk was, de datum waarop het samenwonen daadwerkelijk was beëindigd. De grieven van de staatssecretaris falen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot het moment van verlening wordt niet bevestigd.