ECLI:NL:RVS:2013:BZ1332
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vreemdelingenbewaring ondanks bezwaar op grond van gelijkheidsbeginsel en zicht op uitzetting
De vreemdeling is op 30 november 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld na zijn aanhouding in een tentenkamp in Amsterdam. Hij stelde dat zijn inbewaringstelling in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, omdat andere Ethiopische vreemdelingen niet in bewaring waren gesteld, en voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar Ethiopië vanwege het ontbreken van laissez passer.
De staatssecretaris voerde aan dat elke zaak individueel was beoordeeld, waarbij rekening werd gehouden met land van herkomst, zicht op uitzetting en eerdere bewaringen. De situatie van de vreemdeling verschilde van die van de aangehaalde Ethiopische Oromo, die recent was vrijgelaten. Tevens gaf de staatssecretaris aan dat diplomatieke inspanningen waren verricht om het aantal verstrekte laissez passer te verhogen, en dat Ethiopische autoriteiten toezegden laissez passer te verstrekken aan vreemdelingen die vrijwillig terugkeren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat er geen sprake was van willekeur of ongelijke behandeling en dat het zicht op uitzetting niet ontbrak bij actieve medewerking van de vreemdeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring bevestigd.