ECLI:NL:RVS:2014:158
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beslissing vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting Ethiopië
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde de vreemdeling op 25 september 2013 in vreemdelingenbewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring, omdat er onvoldoende zicht zou zijn op uitzetting naar Ethiopië. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De Ethiopische autoriteiten geven een laissez passer af aan vreemdelingen die vrijwillig terugkeren en hun identiteit kunnen aantonen. De vreemdeling werkte niet mee aan het vaststellen van zijn identiteit, maar de staatssecretaris beschikte over een kopie van zijn paspoort. De Raad stelt dat bij actieve medewerking binnen redelijke termijn wel zicht op uitzetting bestaat.
Verder stelde de vreemdeling dat een minder dwingende maatregel dan bewaring had moeten worden toegepast vanwege zijn verblijf in een opvanglocatie en medische klachten. De Raad oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft gekozen voor bewaring, omdat de vreemdeling niet meewerkte en geen bewijs leverde van detentieongeschiktheid.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring blijft gehandhaafd.