ECLI:NL:RVS:2013:BZ5213
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsband
Bij verschillende besluiten van 26 oktober 2010 heeft de minister een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de echtgenoot en de broer van de referente onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij feitelijk tot het gezin van de referente behoorden. Tegenstrijdigheden en onvolledigheden in hun verklaringen konden niet leiden tot een ander besluit. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat geen toestemmingsverklaring van de biologische moeders van de nicht en de kinderen kon worden overgelegd.
Verder oordeelt de Afdeling dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat er geen plicht bestond om de vreemdelingen en referente voorafgaand aan het besluit correcties op de verslagen van de gehoren te laten indienen. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de afwijzing van de mvv-aanvragen in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.