ECLI:NL:RVS:2013:BZ8389
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van het hoger beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling was door de minister opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is bij de tenuitvoerlegging van het Unierecht, zoals hier het geval is met het terugkeerbesluit en inreisverbod genomen krachtens de Vreemdelingenwet 2000. De Raad bevestigde dat de rechten van verdediging, zoals neergelegd in artikel 41 van Pro het Handvest, gelden bij de voorbereiding van bezwarende besluiten.
De vreemdeling stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad zich te verweren, met name inzake het raadplegen van een raadsman en inzage in stukken. De Raad oordeelde dat de vreemdeling voldoende gelegenheid had gekregen om zijn standpunten kenbaar te maken en dat het proces-verbaal van het gehoor dit bevestigt. Ook werd geoordeeld dat het beroep op het recht op effectieve rechterlijke bescherming faalt.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het terugkeerbesluit en inreisverbod in stand blijven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod ongegrond verklaard.