Uitspraak
201005110/1/H3volgt dat in zaken als deze kan worden volstaan met een verwijzing naar het reeds bij de betrokkene bekend zijnde procesdossier.
201005110/1/H3) dat de minister op grond van artikel 35, tweede lid, van de Wbp niet zonder meer is gehouden een minuut integraal te verstrekken. Een recht op inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen is slechts aan de orde indien niet op andere wijze adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van die persoonsgegevens, hetgeen bij een minuut niet het geval is. De minister is ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wbp, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van Pro de Wbp vervatte weigeringsgronden, wel gehouden tot verstrekking van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de over een betrokkene verwerkte persoonsgegevens, alsmede van informatie over het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van de gegevens. De Afdeling heeft voorts eerder overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr.
201104578/1/H3) dat de minister in dit verband niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de processtukken in de vreemdelingenzaak, nu die verwijzing geen mededeling van in een minuut verwerkte persoonsgegevens inhoudt, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp.
201100148/1/H3, welke zaak eveneens zag op een weigering van de minister om inzage in een minuut te verschaffen, overwogen dat, daargelaten of artikel 41 van Pro het EU Handvest gelet op de bewoordingen daarvan en de toelichting daarbij, op besluitvorming als hier aan de orde van toepassing is, niet kan worden geoordeeld dat de minister de aan die bepaling ten grondslag liggende beginselen niet in acht heeft genomen. De minister heeft onweersproken gesteld dat de gedragslijn dat minuten werden verstrekt is gewijzigd in verband met de consequentie dat als gevolg van de openbaarmaking van minuten, de gedachtewisseling binnen de betrokken overheidsinstantie niet meer in een minuut werd vastgelegd, hetgeen de ordelijke besluitvorming niet ten goede kwam. Daarnaast werden minuten volgens de minister door belanghebbenden verkeerd geïnterpreteerd. Daarmee bestaat een gerechtvaardigd belang bij de vertrouwelijkheid van een minuut, aldus de Afdeling in die uitspraak.
201104578/1/H3) dat de in een minuut neergelegde redenen waarom al dan niet een verblijfsvergunning wordt verleend en op welke grond, door de minister aangeduid als juridische analyse, geen persoonsgegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp zijn. Zij heeft voor dat oordeel in het bijzonder van belang geacht dat een juridische analyse deel uitmaakt van een minuut, hetgeen een stuk is voor intern gebruik binnen de betrokken overheidsinstantie. Een juridische analyse behelst de persoonlijke opvattingen van een beslismedewerker, welke weliswaar bij de totstandkoming van het uiteindelijk genomen besluit worden betrokken, maar geen deel uitmaken van dat besluit en derhalve geen neerslag daarvan vormen. Gelet hierop komt aan de inhoud van een minuut geen, althans geen doorslaggevende, betekenis toe ter vaststelling van de gronden waarop dat besluit berust en de reikwijdte daarvan. Voorts is een juridische analyse niet meer dan een beoordeling van een ambtenaar over de toepassing van de Vw 2000 in het licht van de door de aanvrager afgelegde verklaringen en overgelegde documenten. Bij die beoordeling worden weliswaar persoonsgegevens betrokken, maar dat maakt die beoordeling naar het oordeel van de Afdeling zelf nog geen persoonsgegeven.
201005110/1/H3, welke zaak eveneens zag op een weigering van de minister om inzage in een minuut te verschaffen) dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, zich tegen kennisneming van de in minuten opgenomen persoonsgegevens verzet. Het door de minister aangevoerde belang van zichzelf als verantwoordelijke en van de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen, waaronder begrepen de ambtenaren van de IND, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als een zodanig gewichtig belang, dat dit het buiten toepassing laten van artikel 35, tweede lid, van de Wbp in dit geval rechtvaardigt. Bij een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker als bedoeld in