ECLI:NL:RVS:2013:BZ8661
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid Italië voor asielaanvraag en rechtsgevolgen van afwijzing
De vreemdeling diende op 12 augustus 2011 een asielaanvraag in Nederland in, nadat zij eerder een aanvraag in Italië had gedaan. De minister wees de aanvraag van 16 maart 2012 af, stellende dat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling volgens de Dublin-verordening. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de Raad van State stelt vast dat het besluit van gelijke strekking is als een eerder besluit uit 2011.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat alleen bij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een hernieuwde toetsing mogelijk is. De vreemdeling voerde medische kwetsbaarheid aan, onderbouwd met rapporten van de Schweizerische Flüchtlingshilfe en de Mensenrechten Commissaris, maar de rechtbank had niet beoordeeld of deze stukken voldoende waren meegewogen.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank had moeten bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat de medische situatie en de rapporten geen voldoende grond bieden om de overdracht aan Italië te verbieden. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom deels vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit van 16 maart 2012 blijven in stand ondanks vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.