ECLI:NL:RVS:2013:CA1360
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen zonder matiging
De minister legde appellante een boete van €24.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat zij vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid liet verrichten. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
Appellante voerde aan dat zij niet als werkgever in de zin van de Wav kon worden aangemerkt, omdat de werkzaamheden waren uitgevoerd door een onderaannemer en zij geen zeggenschap had over de vreemdelingen. De Raad van State oordeelde echter dat feitelijk werkgeverschap niet afhangt van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding, maar van het feit dat de vreemdelingen arbeid verrichtten ten dienste van appellante.
Verder stelde appellante dat de boete gematigd moest worden vanwege haar financiële situatie en de verhouding tussen boete en aanneemsom. De Raad van State vond dat appellante dit niet aannemelijk had gemaakt met financiële gegevens en dat de minister de boete passend had vastgesteld conform beleidsregels. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €24.000 wegens overtreding van de Wav en wijst het hoger beroep af.