ECLI:NL:RVS:2013:CA2008
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat veiligheidssituatie in Afghanistan geen grond biedt voor asielbescherming
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 7 februari 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en verleende hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.
Zowel de minister als de vreemdeling stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond was, omdat de aangevoerde gronden geen vragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister ondeugdelijk had gemotiveerd waarom de veiligheidssituatie in Afghanistan, met name in Kandahar, niet de situatie oplevert waartegen artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 bescherming biedt. De Afdeling baseerde zich hierbij op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat stelde dat er geen algemene situatie van geweld is die een reëel risico op onmenselijke behandeling oplevert bij terugkeer naar Afghanistan.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het besluit van 7 februari 2011 stand hield. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van 7 februari 2011 blijft in stand.