ECLI:NL:RVS:2014:1072
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking exploitatievergunning alcoholvrij horecabedrijf wegens aanwezigheid harddrugs
De burgemeester van ’s-Hertogenbosch trok op 29 juni 2012 de exploitatievergunning in voor een alcoholvrij horecabedrijf aan een locatie in ’s-Hertogenbosch en bepaalde dat gedurende drie jaar geen nieuwe vergunning voor deze locatie zou worden verleend. Dit besluit was gebaseerd op politie-informatie waaruit bleek dat in het pand een handelshoeveelheid harddrugs was aangetroffen, waaronder hasj, cocaïne en heroïne.
De appellant stelde zich op het standpunt dat de sluiting van het pand onterecht was en dat de intrekking van de vergunning niet gerechtvaardigd was, mede omdat het horecabedrijf een sociaal wenselijke functie vervulde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van de Opiumwet en dat de aanwezigheid van drugs voldoende was om de intrekking van de vergunning te rechtvaardigen.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de rechtbank ten onrechte het geschil beperkte tot de intrekking van de vergunning en dat de sociale functie van het horecabedrijf onvoldoende was meegewogen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze bezwaren en benadrukte dat de aanwezigheid van harddrugs in een publiek toegankelijke ruimte op zichzelf al het risico van negatieve effecten op de openbare orde inhoudt. De intrekking van de vergunning was daarmee terecht en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de exploitatievergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.