ECLI:NL:RVS:2014:1305
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering huurtoeslag voor recreatiewoning ondanks permanente bewoning
De Belastingdienst stelde de huurtoeslag van de wederpartij over 2010 definitief vast op nihil en vorderde de voorschotten terug, omdat het ging om een recreatiewoning die niet als zelfstandige woning voor permanente bewoning werd erkend. De rechtbank oordeelde echter dat de huurder als zodanig kon worden aangemerkt, omdat hij een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd had en de woning geschikt was voor langdurig verblijf.
De Belastingdienst stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat recreatiewoningen per definitie voor korte duur worden verhuurd en dat het onwenselijk is dat permanente bewoning wordt bestendigd via huurtoeslag, zeker als het college dit niet toestaat. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de definitie van huurder in de Wet op de huurtoeslag duidelijk is en dat het gebruik van de woning door de wederpartij niet van korte duur was.
De Afdeling benadrukte dat het niet aan de Belastingdienst is om illegaal verblijf te handhaven, maar aan het college van burgemeester en wethouders. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Belastingdienst wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.