ECLI:NL:RVS:2014:1542

Raad van State

Datum uitspraak
23 april 2014
Publicatiedatum
30 april 2014
Zaaknummer
201305463/1/V2 en 201401706/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 66a Vw 2000Art. 91, tweede lid Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Justitie op 24 september 2010 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in.

Daarnaast werd op 17 juli 2013 een inreisverbod uitgevaardigd door de staatssecretaris, waartegen eveneens beroep werd ingesteld en door de rechtbank ongegrond verklaard. Ook tegen dit oordeel werd hoger beroep ingesteld.

De Raad van State overweegt dat het hoger beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het inreisverbod rechtsgevolgen heeft die het belang van de vreemdeling bij het hoger beroep doen vervallen. Het hoger beroep tegen het inreisverbod wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep tegen het inreisverbod ongegrond, waarbij de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

201305463/1/V2 en 201401706/1/V1.
Datum uitspraak: 23 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 mei 2013 in zaak nr. 10/33676 onderscheidenlijk de rechtbank Den Haag van 29 januari 2014 in zaak nr. 13/20388 in de gedingen tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld, geregistreerd onder zaak nr. 201305463/1/V2. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Bij besluit van 17 juli 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 29 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld, geregistreerd onder zaak nr. 201401706/1/V1. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
In zaak nr. 201305463/1/V2
2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.
2.1. Het inreisverbod van 17 juli 2013 heeft de rechtsgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat de vreemdeling derhalve geen belang heeft bij beoordeling van het hoger beroep.
2.2. Hetgeen de vreemdeling aanvoert over de afwijzing van haar aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van de grieven over het inreisverbod.
3. Het hoger beroep in zaak nr. 201305463/1/V2 is kennelijk niet-ontvankelijk.
In zaak nr. 201401706/1/V1
4. De grieven over het inreisverbod kunnen niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
5. Het hoger beroep in zaak nr. 201401706/1/V1 is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
In beide zaken
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201305463/1/V2 niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2014 in zaak nr. 13/20388.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014
620-760.