ECLI:NL:RVS:2014:1815
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over paspoortvereiste bij verblijfsvergunning voor in Nederland geboren vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het paspoortvereiste niet aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen, omdat haar vader, die niet rechtmatig in Nederland verblijft, niet is vrijgesteld van dit vereiste. De vreemdeling is in Nederland geboren uit een moeder met de Azerbeidzjaanse nationaliteit en een vader met de Armeense nationaliteit. Het paspoortvereiste is bedoeld om identiteit en nationaliteit vast te stellen en vertrek of uitzetting te faciliteren.
De rechtbank had geoordeeld dat het beleid van de staatssecretaris, dat het paspoortvereiste niet geldt voor hier geboren kinderen van ouders die zijn vrijgesteld, redelijk is. De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval niet van het beleid is afgeweken. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het verkrijgen van een paspoort voor haar en haar vader wordt belemmerd door de militaire dienstplicht in Armenië, waardoor terugkeer naar Armenië noodzakelijk is en het verblijfsrecht van de moeder in Nederland in gevaar komt.
De Raad van State overweegt dat de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vasthouden aan het paspoortvereiste in dit geval gerechtvaardigd is. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.