ECLI:NL:RVS:2014:1857
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring wegens risico op toezichtontduiking
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde de vreemdeling op 10 maart 2014 in vreemdelingenbewaring vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en betoogde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de gronden voor bewaring onvoldoende waren, met name ten aanzien van het ontbreken van een paspoort en onvoldoende middelen van bestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de gronden, waaronder het niet naleven van de vertrekplicht en het ontbreken van voldoende middelen, wel degelijk het risico op toezichtontduiking rechtvaardigen.
Verder werd geoordeeld dat het eerdere opheffen van bewaring wegens gebrek aan zicht op uitzetting niet relevant was na een lange periode van meer dan anderhalf jaar. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt in stand gehouden en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.