ECLI:NL:RVS:2014:2020
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling niet wordt uitgesteld wegens ontbreken medische noodsituatie
De vreemdeling had een verzoek ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om uitstel van uitzetting te verkrijgen vanwege zijn medische situatie. De minister wees dit verzoek af, waarna de vreemdeling bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris uitstel van vertrek moest verlenen zolang de gezondheidstoestand van de vreemdeling dit vereiste, met een maximum van één jaar.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er voldoende aanleiding was om te twijfelen aan het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Het BMA had geconcludeerd dat bij het uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten was. De Raad stelde dat een verschil van inzicht tussen het BMA en de behandelend psychiater niet betekent dat het BMA-advies onjuist of onvolledig is.
De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het uitstel van vertrek oplegde en bepaalde dat het besluit van 8 mei 2012, waarin het uitstel werd geweigerd, in stand blijft. Tevens veroordeelde de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris om het verzoek om uitstel van uitzetting af te wijzen blijft in stand.