ECLI:NL:RVS:2014:2036
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt gelijk in hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar meldplicht
Op 24 augustus 2012 legde de staatssecretaris aan de vreemdeling een dagelijkse meldplicht op als onderdeel van de opvang in een asielzoekerscentrum. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze meldplicht, maar dit bezwaar werd op 18 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank Den Haag verklaarde zich vervolgens onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen dit besluit.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte zich onbevoegd had verklaard, omdat de meldplicht een feitelijke handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, en daarom onder de rechtsbescherming van de bestuursrechter valt. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond.
De Raad van State vernietigde ook het besluit van de staatssecretaris van 18 juli 2013 waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard en stelde het beroep alsnog gegrond. Daarnaast veroordeelde de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.
Deze uitspraak bevestigt dat feitelijke handelingen van de staatssecretaris jegens vreemdelingen, zoals het opleggen van een meldplicht, onder de bestuursrechtelijke rechtsbescherming vallen en dat de bestuursrechter bevoegd is om hierover te oordelen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris worden vernietigd, en het beroep wordt alsnog gegrond verklaard.